De architectuur van de Twentse campus; een proeftuin inbaksteen

In Twente is begin jaren zestig naar Engels voorbeeld 's lands enige universitaire campus aangelegd. Onbedoeld werd het landgoed waar de Technische Hogeschool Twente werd gevestigd een slagveld van de architectuur. 'In de indeling van de campus staan twee visies lijnrecht tegenover elkaar.'

Is het experiment mislukt? Met de kaart in de hand liepen de twee architecten over het landgoed te soppen. Aan de waterhuishouding van het landgoed Drienerlo, tussen Hengelo en Enschede, moest in ieder geval iets worden gedaan, dat was duidelijk. Maar aan de schoonheid van het Twentse land met de groene kamers tussen de bossen deed dat niets af. Tegen dit decor moesten zij, S. van Embden en W. van Tijen, iets unieks in Nederland ontwerpen: een campus naar Engels voorbeeld voor een nieuw op te richten technische hogeschool, waar de student niet alleen onderwezen maar ook gevormd zou worden.

Nu, een kwart eeuw later, wandel ik tussen de bosschages, voorbij de labs en de monolithische mensa, langs de experimentele studentenhuizen en de vijver met de verzonken toren van Wim T. Schippers. In deze proeftuin zijn alle ideologieen uitgeprobeerd die de naoorlogse bouwkunst hebben beheerst. Al vroeg is de industriele no-nonsense aanpak van de Wederopbouw terzijde geschoven en kwam de flower power mentaliteit aan de macht. In de jaren tachtig heeft alweer een derde generatie het nodige aan de architectuur toegevoegd. De campus is een museum van brokstukken geworden, van aanzetten die door de veranderende opvattingen van wat een campus moest zijn, geen van alle kans hebben gekregen tot een voldragen plan uit te groeien. De gebouwen zijn manifesten, in de groene kamers waar ze staan is menige vadermoord gepleegd. Nu breekt een cruciaal moment aan voor de campus: er komen niet meer alleen gebouwen bij, maar voor het eerst wordt er ook gesloopt. Het college van bestuur wil de 'Hallen', een complex uit de beginjaren, vervangen door college- en congreszalen. Dit complex, dat in 1964 vooral snel en goedkoop moest worden gerealiseerd, is bouwvallig en onpraktisch en de klimaatbeheersing is een wanhoop.

Nu de campus het einde van zijn eerste levenscyclus nadert rijst de vraag, hoe het verder zal gaan. 'De TU Twente is een enthousiaste opdrachtgever, ' zegt architecte Jeanne Dekkers die er nu bij betrokken is, 'maar de fundamentele keuze is nooit gemaakt: willen ze het gevoel van een park behouden of leggen ze de nadruk op de gebouwen?'

Groepsvorming

In de oorlog was al besloten dat Nederland zich na de bezetting zou moeten richten op de versterking van de industrie en de techniek. Naast de bestaande Technische Hogeschool in Delft werd er een in Eindhoven opgericht, waarvoor het bureau van Van Embden zowel de stedebouwkundige opzet als de gebouwen ontwierp. Daarna was het noordoosten van Nederland aan de beurt. Enschede kon het landgoed Drienerlo aanbieden, dat verbeurd was verklaard wegens het gedrag van de eigenaar in de oorlog. Wel werd als eis gesteld dat het 'landschappelijk karakter' zo veel mogelijk in stand zou worden gehouden.

De architecten van het eerste uur, oprichter S. van Embden van het Delftse bureau OD 205 en de in 1974 overleden W. van Tijen, vonden dat een ireeele eis. In 1962 schreven zij aan het bestuur: 'Het is duidelijk dat dit terrein door zijn wezen totaal vreemd is aan zijn nieuwe bestemming tot omgeving voor een milieu van geperfectioneerde techniek en geconcentreerde sociale groepsvorming.' Maar niemand luisterde toen naar de waarschuwing: de plattelandsidylle van Drienerlo paste te goed bij het idealisme dat bij bestuurders over het hoger onderwijs had postgevat. In zijn boek 'Vormgeven aan de campus' citeert auteur Peter Huygen een overheidscommissie: 'De Nederlandse student behoeft in verhoogde mate begeleiding op de weg zijner academische vorming.

In een ongedwongen samenleving op een campus schuilen grotere mogelijkheden voor de vorming van hun persoonlijkheid.'

Dit ideaal liet zich het beste verwezenlijken in een omgeving waar studeren, wonen en ontspannen als vanzelfsprekend in elkaar overvloeiden. Bovendien was er een praktisch voordeel: de studenten spaarden de lange reistijden uit die in dit landelijke deel van Nederland onvermijdelijk waren geweest. 'Het grote voorbeeld was toen Engeland, ' zegt mr C. van Lookeren Campagne, sinds tien jaar voorzitter van het college van bestuur. 'Eind jaren vijftig was het idee van de campus daar opnieuw populair geworden. Er werden nieuwe regionale universiteiten van zo'n zesduizend studenten opgericht in East Anglia, Surrey en Sussex. Dat leek Nederland ook wel wat: op een campus kon je meer saamhorigheid scheppen en een actiever studentenleven. In dit cultureel vacuum moest deze nieuwe instelling voorzien.'

Krullen

Het uiterlijk van TU Twente blijkt niet te stroken met mijn beeld van een campus. Dit is geen Harvard of Cambridge waar een gewijde sfeer heerst in eerbiedwaardige oude gebouwen, liefst in neo-Gothische stijl, met klimop begroeid en versierd met krullen en erkers en torentjes. Nee, hier staan over het terrein verspreid industrieel aandoende kolossen, Wederopbouw-architectuur voor een nieuw tijdperk, functioneel maar met een stoere schoonheid. De zwart-witte wenteltrap met rode leuning van het Hallen-complex is ontegenzeggelijk zwierig en de luchtbruggen tussen de zalen hebben in hun relingen en ramen de detaillering van een oceaanstomer. Het gebouw 'E en F', elektrotechniek en fysica, is net als de Hallen wat energieverbruik betreft hopeloos, maar wie er oog voor heeft, ziet krachtige betonnen pijlers als van een hefbrug en een over de gevel gesponnen filigrein van leidinggoten en stalen profielen.

Van Tijen en Van Embden vonden het hun taak om opstandige jonge architecten de kans te bieden hun ideeen in gebouwen om te zetten. 'Wij voelden ons regisseurs van een toneelstuk, ' zei Van Tijen, 'waarin acteurs rollen speelden onder eigen artistieke verantwoordelijkheid.'

Een van de vakgenoten die werden uitgenodigd, was Gerrit Rietveld. Hij maakte een ontwerp voor een cultureel-geestelijk centrum. Het moest een plek worden, vond hij, waar de jongens graag komen. Voordat zijn ontwerp kon worden gerealiseerd overleed de architect echter. De erven vonden het onvoldoende uitgewerkt om te bouwen en op die plaats staat nu een carillon.

Achteraf bezien wilden sommigen van de acteurs niet in het toneelstuk van Van Tijen optreden, maar een heel ander, eigen stuk spelen. Deze jongere generatie architecten Piet Blom, Herman Haan, Joop van Stigt wilde afrekenen met de zakelijkheid van hun voorgangers. Dit waren de hoogtijdagen van de 'menselijke maat', van Aldo van Eycks ideaal van 'het huis als een stad, een stad als een huis', van de flower power in de architectuur. Herman Haan bouwde studentenkamers naar analogie van oosterse kasbahs en Tunesische grotwoningen, waar je over het dak binnenkomt en beneden de kamers rondom intieme binnenplaatsen en vijvers ziet liggen.

Piet Bloms verbouwing van de oude boerderij op de campus werd alom geprezen, ook door Van Tijen. Hierdoor kreeg hij ook de opdracht voor een reusachtig studentencentrum midden op het terrein. Maar daarmee laaide het generatieconflict in volle hevigheid op. Bloms ontwerp werd slechts gedeeltelijk gerealiseerd en kreeg als bijnamen de Bastille, de Burcht en het Bastion. Al proberen de buitenmuren de suggestie te wekken van lichtvoetig verspringende gevels, dit is een dwingeland in baksteen, een labyrint van onoverzichtelijke spelonken dat zelfs op een warme zomerdag de sfeer heeft van een parkeergarage. Spontaniteit in gewapend beton. 'Ik heb Van Tijen verdriet gedaan, als een appel die niet ver van de boom valt en het dan toch nog anders wil, ' schreef Blom. 'De mensen voor wie ik me rot heb gewerkt als knecht en als student hebben me gewoon laten stikken, maar Van Tijen, de tegenstander, geeft me gewoon een opdracht. Zonder dat zou ik tot de dag van vandaag een plannenmaker zijn gebleven zonder een steen op de andere gezet te hebben.'

Masterplan 'Onze opzet voor de campus, ' legt Van Embden uit, 'was gebaseerd op de principes van het functionalisme. Wij maakten een duidelijke scheiding tussen wonen, werken, recreatie en verkeer. De belangrijkste gebouwen plaatsten we als autonome objecten in het groen utilitair, natuurlijk, maar ook sculpturaal. Haaks op een bestaande groene allee, die de twee complementaire helften van het terrein met elkaar moest verbinden, legden wij een dubbele rijweg met een groene middenberm.'

In de middenberm werd een kunstwerk van Ger van Elk geplaatst, een half open gedraaid reuzeblik sardines.

Met de hoogleraren van de universiteit in wording spraken de architecten alleen over de afzonderlijke gebouwen en wat er nodig was voor practica en colleges in bijvoorbeeld de elektrotechniek en de chemische technologie. Maar de enige die over de indeling van het terrein ging, was bouwcurator dr. ir. H. A. Stheeman, een 'krachtig figuur' zegt men, een 'dictator' zelfs. Hij staat Van Lookeren Campagne nog levendig voor de geest: 'Hij vloekte de hele dag door. En als hij op het ministerie van onderwijs verscheen, gingen de ambtenaren via de achterdeur naar huis, want hij ging niet weg voordat hij z'n zin had gekregen.' Als president-directeur van de Nederlandsche Aardolie Maatschappij had Stheeman naam gemaakt door bijna monomaan naar aardgas te boren, zelfs toen hem door het concern nadrukkelijk werd verboden nog verder te zoeken. Toen hij op de bel van Slochteren stuitte, was zijn opstandigheid gauw vergeten en na zijn pensionering werd hij beloond met dit ambitieuze project. In de bestuursvleugel van de TU hangt een werk ingelijst dat een verwijzing lijkt naar het tijdperk-Stheeman: geen kunstwerk maar een dwarsdoorsnede van een geologische formatie, getiteld 'Dekzand met vorstspleet'. Toen de dubbele rijbaan al voor de helft was aangelegd kwam Stheeman op een dag ineens de bouwkeet binnenstormen en riep: 'Heren, stopt u maar! De ideeen zijn veranderd.' De architecten waren perplex. In plaats van de rijbaan zou Piet Blom hier een reusachtig studentencentrum bouwen, een 'stedelijk dak' over de campus zoals hij het zelf noemde. Zoals gezegd is daarvan slechts een klein deel gerealiseerd, de Bastille, maar daarmee kwam wel definitief een eind aan de structuur die zijn voorgangers aan de campus hadden willen geven. De autoweg, zo besluitvaardig bij de poort ingezet, is van zijn kracht ontdaan en verdwijnt met een slome lus in de bossen.

In de jaren zeventig was het stil rond de TU, maar in de jaren tachtig is er weer gebouwd: een hotel- en congrescentrum, een kinderdagverblijf, een gebouw voor informatica en toegepaste onderwijskunde. Architecte Jeanne Dekkers voelt zich niet gehinderd door de brokstukken van het verleden. 'Ik heb een kinderdagverblijf ontworpen, dat net als de gebouwen van Van Tijen en Van Embden in een groene kamer staat. In de architectuur ben ik niet op mijn voorgangers doorgegaan, maar in de indeling van de campus zie je dat er twee visies door elkaar staan. Door de jaren heen zijn er steeds weer nieuwe beelden over elkaar heen gelegd.' Door zijn hoekige witte vleugels en de speelruimte ertussen heeft het elegante en vrolijke dagverblijf de bijnaam de Vlinder gekregen. Zal deze architectuur over nog eens 25 jaar net zo evident 'jaren tachtig' zijn, vraag ik me af, net zo gedateerd als de rest?

Barricades

Nederland heeft zich sinds Twente niet meer aan een campus gewaagd. De enige instelling voor hoger onderwijs die sindsdien is opgericht, is in een stad gekomen, te weten Maastricht. Waarom is TU Twente nog altijd uniek, is het experiment op Drienerlo mislukt? Absoluut niet, zegt collegevoorzitter Van Lookeren Campagne. 'Van de 6500 studenten komt ongeveer zestig procent uit deze regio. Velen van hen komen uit families zonder academische achtergrond. Wij merken dat zij en hun ouders het prettig vinden dat ze via het leven op de campus daarmee kennis kunnen maken. Na een of twee jaar zoeken de meesten elders in de omgeving een kamer.'

Van Lookeren Campagne zou ook graag zien dat er meer huisvesting voor de studenten op de campus werd gebouwd, 'om de campusgedachte sterk te houden. Wij hebben nog altijd a sense of a mission.' Maar voor anderen is de bevlogenheid en het idealisme van de begintijd omgeslagen in een kater. Voor Van Embden is Twente zowel persoonlijk als beroepsmatig op een ramp uitgelopen. Deze geschiedenis heeft hem ook nog zijn vriendschap met Van Tijen gekost. 'Ik heb hem een brief geschreven waarin ik voorstelde maar op te houden met Twente, ik kon het niet meer opbrengen. Maar Van Tijen was een romanticus, hij wilde op de barricades sterven. Hij vond dat ik hem daarmee in de steek liet en heeft me nooit meer willen zien.' Van Embden is nog wel eens terug geweest, maar de campus is volgens hem niet meer te redden. 'Ons concept werd van de ene dag op de andere terzijde geschoven, maar iets anders is er nooit voor in de plaats gekomen. Het is een chaos in de ruimte geworden, ' zegt hij onomwonden. Van de dubbele rijbaan die de sleutel was tot zijn plan, is een strook weggehaald. Van Elks sardineblik ligt niet meer als een schertsende opmerking in de middenberm. Het is een onbedoeld objet trouve geworden naast de weg, een omgevallen grafsteen met evergreens aan hoofd- en voeteneinde.