Blokkade vergt mandaat V-raad

Jarenlang heeft de vrees voor Iran de Westelijke kijk op het regime in Irak vertroebeld. De vrees voor een fundamentalistische vloedgolf die het Midden-Oosten zou overstromen, leidde er niet alleen toe dat Irak overvloedig van Westelijke wapens werd voorzien maar ook dat voor de bedenkelijke kanten van het regime in Bagdad een oogje werd dichtgeknepen. Toen bijvoorbeeld in 1984 een door de secretaris-generaal van de VN ingestelde deskundige groep rapporteerde dat Irak van chemische wapens gebruik had gemaakt, volgde aanvankelijk onder de leden van de Veiligheidsraad een doods stilzwijgen dat slechts met moeite door Nederland, gesteund door Engeland, kon worden doorbroken.

Zelfs in de dagen vlak voor de invasie van Koeweit toen de waarnemingen van verkenningssatellieten er geen twijfel over hadden gelaten dat Irak op elk gewenst ogenblik tot de aanval kon overgaan, werden de intenties van Irak door Washington nog verkeerd beoordeeld. De Amerikaanse ambassadeur in Bagdad werd na de verzekering van de Iraakse president dat hij niet tot agressie zou overgaan, zelfs toegestaan om met vakantie te vertrekken.

Wat zou er zijn gebeurd als de Veiligheidsraad niet bij machte zou zijn gebleken op de Iraakse bezetting van Koeweit met mandatoire economische sancties te reageren? Het zal Saddam Hussein hebben verrast dat de in het verleden vrijwel steeds machteloze Veiligheidsraad nu in staat bleek een vergaand sanctiebesluit te nemen. Wellicht heeft hij nog gehoopt dat in de praktijk van de toepassing niet veel terecht zou komen. Het was daarom voor hem een bijzonder harde slag toen Ankara besloot de door Turkije lopende pijplijn uit Irak af te sluiten. Daarmee was ruim 50 procent van de Iraakse olie-uitvoer geblokkeerd.

Van des te groter belang werd het daardoor voor Irak dat de tweede, de door Saoedi-Arabie lopende pijplijn, open zou blijven. De concentratie van Iraakse troepen langs de grenzen van dit land, gepaard met dreigende woorden uit Bagdad, zou dit moeten verhinderen. Maar Saoedi-Arabie trotseerde na aanvankelijke aarzeling eveneens Irak en besloot een Amerikaanse militaire presentie, die het tot dusverre steeds had geweigerd, te aanvaarden. Voor Saddam Hussein staat nu vast dat een poging om de rijke Saoedi-olievelden te bemachtigen onvermijdelijk tot een militaire confrontatie met de Verenigde Staten zal leiden. De voor de Westelijke economieen vitale toevoer van olie uit het Midden-Oosten moet worden veilig gesteld.

Zou de Amerikaanse poging tot afschrikking van een Iraakse aanval mislukken (Bagdad heeft overigens nagelaten om toe te slaan voordat de Amerikanen zich hadden geinstalleerd) dan zijn de Amerikanen en de Saoediers wat betreft de krachtsverhoudingen te land duidelijk in het nadeel. Maar zij zouden wel een superioriteit in de lucht bezitten die een ernstige bedreiging zou kunnen vormen voor oprukkende Iraakse tankcolonnes in het open woestijngebied. Ook strategische doelen in Irak zelf zouden dan niet worden gespaard.

Als Saddam Hoessein dit alles afweegt, zal hij niet licht tot een aanval overgaan. Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor zijn dreigementen aan het adres van Israel. Het moet hem bekend zijn dat Israel in staat is om na een Iraakse raketaanval minstens even hard terug te slaan. Maar zal de in het nauw gedreven Iraakse president, omgeven door adviseurs die te bang zijn om hem onaangename waarheden voor te houden, rationeel blijven handelen? Ook bestaat het risico dat in de huidige gespannen situatie een klein incident snel escaleert. Ook kan een escalerende werking uitgaan van het via een uitreisverbod tot feitelijk gijzelaars maken van Westelijke burgers in Irak en Koeweit.

De contouren van het Amerikaanse beleid in deze crisis tekenen zich inmiddels steeds duidelijker af. Het zoveel mogelijk veilig stellen van de olietoevoer uit de Golfstaten en het compenseren van wegvallende olie-aanvoer uit Koeweit en Irak met een toeneming van de produktie in landen als Saoedi-Arabie, Nigeria en Venezuela is een aspect van de strategie van Washington. Het andere is de sancties zo effectief te maken dat het geheel van olie-exporten afhankelijke Irak geleidelijk op de knieen wordt gedwongen, hetgeen naar men hoopt tot een legerrevolte tegen Saddam Hoessein zal leiden.

Voor bemiddeling lijkt voorshands geen ruimte de kloof tussen het Iraakse besluit tot annexatie van Koeweit en de Amerikaanse eis tot herstel van de status quo ante kan niet zonder onacceptabel gezichtsverlies voor een van beide partijen worden overbrugd. Gezien de huidige stemming in Bagdad is het nauwelijks aannemelijk dat Saddam Hussein bereid zou zijn enkele dagen na de annexatie van dit land een pan-Arabische vredesmacht in Koeweit toe te laten, zoals Egypte schijnt te hebben gesuggereerd.

Amerika laat niet na de Westeuropese partners eraan te herinneren dat het in het Midden-Oosten ook Europese belangen verdedigt een stelling die niet te bestrijden valt. Engeland heeft daaruit al de door Washington gewenste conclusies getrokken en een eigen bijdrage toegezegd. Andere Europese landen, ook het onze, beraden zich nog.

Het zou onjuist zijn, en ook zeer belastend op de toekomstige Europeese-Amerikaanse verhoudingen werken, als geen begrip werd getoond voor deze Amerikaanse aandrang. Maar anderzijds zouden de Amerikanen bereid moeten zijn in ruil voor een principe-toezegging tot het verlenen van steun ook Europese inspraak toe te staan. Dit geldt vooral voor de Amerikaanse plannen om een internationale maritieme macht een blokkadefunctie te laten vervullen. Zo zal men bijvoorbeeld mogen verwachten dat Washington in het diplomatieke overleg over deze kwestie overtuigend aantoont dat een dergelijke blokkade onontbeerlijk is om de sancties effectief te maken.

Maar bovenal rijst de vraag of het niet de voorkeur zou verdienen een dergelijke operatie op een mandaat van de Veiligheidsraad te doen berusten, of althans een poging te ondernemen een dergelijk mandaat te verkrijgen. Dit zou uiteraard de Sovjet-Unie in staat stellen een vinger in de pap te houden voor wat betreft opzet en uitvoering van een dergelijke blokkade. Maar in het licht van de zo drastisch gewijzigde Oost-West verhouding behoeft dit geen onoverkomelijk bezwaar te zijn.

Voordeel van een dergelijke aanpak zou zijn dat de Arabische gevoeligheden, die op de achtergrond een grote rol spelen, zouden worden gespaard. De Amerikaanse militaire presentie in Saoedi-Arabie wordt door menig Arabisch land enerzijds als een in deze situatie onvermijdelijke bescherming ervaren, maar anderzijds als een moeilijk te verteren Westelijke rentree in de nog slechts enkele tientallen jaren geleden aan het Westelijk kolonialisme ontkomen Arabische wereld. Het optreden van een niet door de Veiligheidsraad gelegitimeerde Westelijke maritieme macht in de Arabische wateren zou dit onbehagen nog kunnen versterken.

De Koeweit-crisis heeft op bijkans alle verhoudingen in het Midden-Oosten het effect van een aardbeving. De nieuwe, ultra-conservatieve Israelische regering, enkele weken geleden nog bevreesd voor zware Amerikaanse druk om eindelijk een dialoog met de Palestijnen te openen, kan deze zorg voorlopig wel vergeten. Israel zal bovendien met vreugde hebben gadegeslagen hoe de PLO het door verwerping van terrorisme en de aanvaarding van het bestaansrecht van Israel verworven eerste krediet weer lijkt te verspelen door in deze crisis dicht tegen Irak aan te kruipen.