Alles draait nog in het liftenmuseum

Zonder liften zou hoogbouw onmogelijk zijn. We klauteren niet graag.

Aan bedrijfszekerheid van liften worden hoge eisen gesteld, aan de veiligheid ook. We vallen niet graag naar beneden.

Al in de jaren 1920 werd de Nederlandse Vereniging voor Liftnijverheid (NVL) opgericht. Deze ondernemersorganisatie van Nederlandse liftenmakers waarborgt de kwaliteit en veiligheid van liftinstallaties (en roltrappen en rolpaden) in ontwerp, bouw, installatie en onderhoud. Men schat dat er in ons land zo'n 45.000 liften zijn. Die gaan in totaal elke dag zeker wel 10 miljoen keer op of neer. De liftenindustrie is de enige bedrijfstak in Nederland met een eigen collectie historisch materiaal: het liftenmuseum in Alphen aan de Rijn. 'Met zo'n 600 bezoekers per jaar natuurlijk geen paying proposition', geeft directeur Bins van de NVL toe. 'Het museum kost ons elk jaar een aardig sommetje.'

Het is wel een zeldzame collectie. Alleen in het Oostblok kent men een collega-museum. In Belgie ligt materiaal in opslag, maar dat is niet toegankelijk voor publiek.

De Nederlandse collectie ontstond onder de handen van enige fanaten. Conservator Warners is een inmiddels gepensioneerd directeur van een grote liftenfabriek; de techniek in het museum wordt verzorgd door de eveneens gepensioneerde liftmonteur Sikkink. Rondleidingen worden gegeven door de vrijwilliger, directeur Verkerk van het Op- en Overslagbedrijf Alphen, in wiens pand de collectie (op kosten van de NVL) is gehuisvest. Het museum herbergt alleen elektromechanisch gestuurde installaties, niet de modernste elektronisch gestuurde liften, want die willen de bedrijven nog niet kwijt. De bezoeker krijgt dan ook reeksen schakelkasten onder ogenvol relais, assen, wielen en sleepcontacten, wissel- en gelijkstroommotoren, roterende omvormers, Ward-Leonard-schakelingen. En wormwielkasten, band- en blokkenremmen, snelheidsbegrenzers en vangen.

Ook staat er een aandrijfeenheid van een roltrap uit de Londense metro. Het is een gebalanceerde wormwielkast (met een linker en een rechter worm) die de trap via een dubbele ketting aandreef. Een cadeautje van de Underground. Niemand had erbij stilgestaan dat het ding ruim zeven ton woog.

Bijna alles draait. Dat verwacht je ook van deze techneuten. De bezoekers waarderen het je begrijpt pas wat je ziet als het echt werkt. Prachtstukken zijn de hydraulische lift en een Heath-Robinson bouwsel van een Tilburgse smid, vol drijfriemen en wielen. Of een liftkooi uit het begin van de eeuw, met van dat fijne fineerinlegwerk. De NVL ziet problemen voor de toekomst van deze collectie. De continuiteit is op de huidige manier niet voldoende verzekerd. Museumtaken zoals documentatie en beschrijving komen niet uit de verf. En het kost toch veel geld. Is het houden van een museum wel een taak van een ondernemers-organisatie? Men zou het liefst de hele zaak onderbrengen in 'een Nederlands Technisch Museum'.

Maar dat bestaat niet. Twee zijn in opbouw: in Delft en Kerkrade. Beide beperken zich tot deelgebieden van de techniek. Een instelling als het Science Museum in Londen of het Deutsches Museum in Munchen zal in Nederland wel nooit van de grond komen.

De NVL ziet dan ook weinig mogelijkheden de collectie in eigen land onder te brengen. Enkele buitenlandse musea zijn heel geinteresseerd. Moet dit materieel verloren gaan voor ons eigen nageslacht, of denken we inmiddels zo Europees dat een museum elders in Europa even goed is? Bij beheerders van andere technische collecties bestaan soortgelijke problemen. Een stichting, die het centrale beheer over de verschillende collecties overneemt en deze in een netwerk van kleine buitenpost-musea exploiteert, kan een oplossing zijn. Niet alle oude techniek hoeft in een museumgebouw te worden geconcentreerd. De bezoeker wil best wat reizen.