Zingen, zoenen, vechten

Dertien jaar na de dood van Elvis Presley draait de industrie rond de 'King of Rock en Roll' nog altijd op volle toeren. Wie alles verzamelt, is handenvol geld kwijt aan hebbedingetjes als de autobiografie van zijn kindermeisje ('I Called Him Babe') of een videoband met een rondleiding door zijn villa Graceland. Een kwalitatief gunstige uitzondering was de vorig jaar op video uitgebrachte documentaire Elvis '56, waarin het cruciale muziekjaar van 'The Memphis Flash' aan de hand van foto's, film- en tv-fragmenten werd toegelicht door de boeiende commentaarstem van acteur en muzikant Levon Helm.

Enkele van diezelfde beeldfragmenten keren terug in Young Elvis, de meest recente toevoeging aan de kast vol Presley-prullaria. De jonge jaren van de zingende vrachtwagenchauffeur worden afgeraffeld aan de hand van een stapel overbekende foto's en de anonieme makers volstaan vervolgens met een aaneenschakeling van tv-optredens uit Amerikaanse familieshows. Vreemd genoeg ontbreekt het legendarische optreden in de Ed Sullivan Show uit 1956, berucht omdat de heupwiegende Elvis er alleen 'boven de gordel' in te zien was. Op zichzelf bieden de onscherpe, jengelende zwart-witbeelden een aardig inzicht in de manier waarop het Amerikaanse televisie-establishment poogde om het rock en rollgevaar aan banden te leggen. In Presley's geval gebeurde dat meestal door hem belachelijk te maken in een komisch bedoelde dialoog, waarin hij braaf zijn tekst oplas. Zo speelt de komiek Milton Berle de harkerige tweelingbroer Melvin Presley, die zijn gebrek aan zangtalent compenseert door een gitaar kapot te slaan, een pijnlijke vertoning in het licht van het feit dat Presley's werkelijke tweelingbroer dood werd geboren.

Nog genanter is de in rokkostuum gehesen Elvis in de Steve Allen Show, die Hound Dog zingt voor een hond met hoge hoed. De hond noch Elvis vonden het zo te zien een leuk idee en de rock en roll-magie werd effectief om zeep geholpen. Young Elvis draagt daar onbedoeld aan bij door de grote nadruk op Presley's filmcarriere. Meer dan de helft wordt gevuld met voorfilmpjes van bioscoopsuccessen als Love Me Tender, het 'semi-autobiografische' G. I. Blues en het volslagen ongeloofwaardige Flaming Star, waarin een bruin geschminkte Elvis een halfbloed indiaan moet voorstellen, een rol waarvoor Marlon Brando hartelijk had bedankt. Stuk voor stuk zijn het draken van films, waarbij het volgens de reclamespotjes steeds weer draait om 'zingen, zoenen en vechten'. Het absolute dieptepunt is Fun In Acapulco, met Elvis als een Mexicaanse Julio Iglesias die heen en weer wordt geslingerd tussen een bikinimeisje en een vrouwelijke stierenvechter. Na het abrupte einde kan Young Elvis voorgoed in de kast, om stof te verzamelen tussen de Elvis-boeken, de Elvis-lepeltjes en de andere Elvis-rommel.