Tentoonstelling toont verband tussen ziekte en arbeid; Eenhordenloop van plagen

Optimistisch is de titel Rondom 5 eeuwen gezondheidszorg wel. Want de expositie in het Textiel Industriemuseum in Enschede gaat veel over de dood, en pas de laatste anderhalve eeuw echt over gezondheidszorg. Pest, cholera, kraamvrouwenkoorts, syfilis, tbc hoe hebben onze voorouders deze hordenloop van plagen en misere overleefd, althans lang genoeg om kinderen te krijgen? Niet dank zij de medische stand. De vroedvrouwen en vroedmeesters uit de middeleeuwen konden, als zij ervaren waren en over kruidenkennis beschikten, kleine kwalen en complicaties met succes bestrijden. Maar in evenveel, zo niet meer gevallen hielpen zij hun patienten regelrecht de dood in door besmetting met ziektebacillen of aderlating.

Maar er was geld te verdienen. In de late middeleeuwen kregen de verloskundigen concurrentie van de chirurgijn, de apotheker en de doctor medicinae. Daarnaast opereerden in steden en dorpen legertjes van kwakzalvers met hun wondermiddelen. Bloed aftappen was een geliefde methode, vaak in combinatie met sterrenwichelarij, de artsen keken gewichtig in de urine en de 'kopsters' veroorzaakten blaren, en prikten die open met het argument, dat zo schadelijke vloeistoffen uit het lichaam werden getrokken.

Pestepidemie

Tegen de grote plagen stonden ook de artsen machteloos die in Montpellier, Bologna of Keulen hadden gestudeerd. Bij een pestepidemie in Nijmegen in 1636 stierven 6.000 mensen, de helft van de bevolking. In Deventer, niet meer dan een groot dorp met 4.000 inwoners, moesten dagelijks 70 tot 90 mensen uit huizen en van straat worden gehaald. De ziekte dook om de vier, vijf jaar op, tot de laatste hevige uitbarsting in de Nederlanden van 1667-1668. De zwarte pestbacil had zichzelf 'uitgeroeid' en verdween.

Lepra was al een halve eeuw eerder verdwenen, maar er waren voldoende andere ziekten. 'Rode loop' of dysenterie nam in de achttiende eeuw de prominente plaats van de pest over als doodsoorzaak. Die werd weer opgevolgd door de Aziatische cholera (1834, 1849, 1866), tot men eindelijk besefte dat de ziekte iets met hygiene en drinkwater te maken had. Het was niet verstandig om drinkwater te halen uit de sloot voor het huis, waarin ook het riool uitmondde, dus kwam er waterleiding.

De expositie in Enschede, gehuisvest in het prachtige fabrieksgebouw van de voormalige weverij Jannink, is gemaakt ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de samengevoegde ziekenhuizen in Enschede en het ziekenhuis in Oldenzaal. Bij een voorstudie van F. D. Zeiler in de regio bleek dat er veel archiefmateriaal was, maar weinig goed expositiemateriaal. Daarom heeft de tentoonstelling een bredere opzet gekregen, met uitstapjes naar de medische wetenschap, industrialisatie en andere maatschappelijke ontwikkelingen.

De ontwikkeling van de textielindustrie is uiteraard een factor van belang geweest. In de tweede helft van de achttiende eeuw ontstond in het oosten een pre-industrieel proletariaat, een onderklasse van arbeiders. Niet alleen in de ijzersmelterijen en de brouwerijen maar ook in de textielwerkplaatsen. De werkomstandigheden voor duizenden thuiswevers of 'boerenwevers' waren erbarmelijk, en de lonen waren lager dan overal elders. De eerste statistieken van 1780 uit Deventer en Zevenaar geven dan ook aan, dat sterfte, ook de kindersterfte, het hoogst was onder de 'werkliedenstand'. Typische beroepsziekten staken de kop op, en sociaal gebonden ziekten als tbc.

Pest, pokken en cholera konden iedereen treffen, maar tbc kwam het meeste voor bij de arbeiders.

Spinmachine

De echte industrialisatie kwam in Nederland en dus ook in Twente laat op gang. In Engeland werd de produktie van textiel tussen l750 en 1800 verveelvoudigd door de combinatie van Arkwrights spinmachine en de stoommachines van Watt en Boulton. Twente volgde pas rond l830, maar het duurde nog twintig jaar voordat er echt op grote schaal werd geproduceerd. Hoewel de werkomstandigheden niet zo barbaars waren als in Engeland, leden de arbeiders onder het lawaai, de slechte verlichting, de lange uren en vooral het stof. Tbc kwam dan ook veel voor. Veel textielwerkgevers, die als strenge huisvaders regeerden, lieten hun tuberculeuze werknemers kuren in bedrijfshuisjes in de frisse lucht. (Een compleet huisje is te zien op de tentoonstelling). Maar de particuliere zorg was ruim onvoldoende. Rond l800 begon de staat zich met het lichamelijk welzijn van de burgers te bemoeien, eerst door het benoemen van inspecteurs, later door toezicht op de opleidingen.

De oude gasthuizen, sinds de middeleeuwen een mengeling van ziekenhuis, krankzinnigengesticht en bejaardentehuis, maakten plaats voor gespecialiseerde instellingen.

Maar de plaggenhutten bleven nog tot na de Eerste Wereldoorlog in gebruik; de laatste echte chirurgijn stierf rond l925.