Rutger Arisz brengt eenheid en finesse in de dubbel-vier

ROTTERDAM, 9 aug. Roeier Rutger Arisz behaalde vorig jaar zijn rijbewijs, zijn VBP-diploma en de wereldtitel in de dubbelvier. Dit jaar kende minder hoogtepunten voor de pas twintig jaar oude atleet. De ziekte van Pfeiffer veroordeelde hem tot twee maanden 'oever-zitten'. Twee weken geleden maakte Arisz bij de Goodwill Games een voorzichtige, maar succesrijke rentree met een derde plaats. 'In de training voelde de ploeg al ouderwets aan, al ontbrak nog de rust die ik er dan blijkbaar in breng', vertelt Arisz.

Op de slagplaats, waarbij de ploeg hem op de rug kijkt, is het zijn taak ritme en eenheid in het roeien te brengen. Het is een belangrijk onderdeel van het uiterst technische en snelle dubbelvier roeien. 'In de finale ging ik van start met het voornemen mijzelf vooral te ontzien, zodat ik het ritme kon blijven aangeven. Ik heb al lang geen zure benen meer gehad. Daar moest ik me op voorbereiden.'

Een soepele versnelling halverwege bracht de dubbelvier langs de Oostduitsers en de Westduitsers. Arisz: 'Ik voelde de kracht in de boot achter me. Bij de inpik hoef je dan minder kracht te zetten. Het roeien wordt massiever.' Met hun gevreesde eindsprint plaatsten de wereldkampioenen zich bij de Goodwill Games vlak achter de dit jaar onverslaanbaar geachte Sovjet-vier en de Italiaanse Olympische kampioenen. In Seattle meldden de Nederlanders zich eindelijk weer bij de kleine schare kanshebbers voor eremetaal op de wereldkampioenschappen in Tasmanie in november. Met de pijnlijke nederlagen in de wedstrijden in Henley en Luzern verloor de Nereus/Skadi-combinatie al een aanzienlijk gedeelte van haar naam en faam.

Arisz' ploeggenoten Hans Kelderman (23), Koos Maasdijk (22) en Herman van den Eerenbeemt wegen samen al 300 kilo. Arisz steekt daar met 84 kilo en een lengte van 1.91 meter schraal bij af. De Amsterdamse rechtenstudent dient het zware team de beslissende finesse te leveren. Zonder Arisz produceert de ploeg 'werkroeien', zo is de mening van de roeiers en coach Jan Klerks. Door de tegenslagen slopen tevens kleine irritaties binnen het team. Zo stoorde Klerks zich in Luzern aan het overwicht en het uitgaansleven van de ploeg. 'Tien kilo te veel aan boord scheelt een lengte. Je neemt toch ook geen zak zand mee?'

Leven

Arisz beschouwt de bourgondische levensstijl van zijn ploeggenoten echter als essentieel. 'Dit is de beste ploeg waarin ik kan zitten', zegt hij. 'Wij leven niet alleen voor het roeien. Dat idee heb ik bijvoorbeeld wel bij Rienks en Florijn. Wat dat betreft is Herman van den Eerenbeemt een voorbeeld voor me. Ook al ging hij soms wat ver met dat leven naast het roeien.'

Arisz herinnert zich nog de eerste keer dat deze dubbelvier in actie kwam. 'Dat was ongelooflijk. Het ging zo hard.' Ondanks zijn succes als junior was Arisz destijds verbaasd over zijn uitverkiezing voor de nationale dubbelvier. Op zijn eerste jeugd-WK in 1987 kwam hij overtraind en uitgeblust niet verder dan een elfde plaats in de gestuurde vier. Een jaar later kwam hij onder coach Klerks met Bart Ras tot brons in de dubbeltwee van de junioren. 'Mijn kwaliteiten zouden in echte roeinaties als Oost-Duitsland en de Sovjet-Unie niet worden herkend. Daar zit eenvoudig de meest ervaren roeier op slag. Hier roei ik niet hard in de skiff en word ik toch gekozen', aldus Arisz. 'Het gevoel na het goud op de WK viel eigenlijk een beetje tegen. Als jochie spelde ik alle roei-uitslagen en ging ik naar de Bosbaan om naar Nico Rienks te kijken. Toen ik veertien was kende ik de naam van de Oostduitse wereldkampioen Uwe Heppner al. En vijf jaar later versla je hem! De erkenning van de titel verdiende ik misschien niet. Als ik het kan zal het wel niet zoveel voorstellen, was eigenlijk mijn reactie. De helden halen de blikken, dacht ik altijd. Ja, dat mythologische is er nu wel vanaf.'

Andere dingen

Een lange sportcarriere heeft Arisz niet voor ogen. 'Na de Olympische Spelen van 1992 heb ik alles gehad. Dan kan ik met andere dingen doorgaan.'

De band die Arisz met zijn coach Klerks koestert is hecht. Klerks werkt behalve als fysiotherapeut in Leiden ook als trainingscoordinator voor de Nederlandse junioren-equipe. In de laatste twee jaar won hij Olympisch goud met Rienks en Florijn en de wereltitel in de dubbelvier. Dat zeldzame succes leidde al tot aanbiedingen uit het buitenland, maar Klerks blijft voorlopig trouw aan de jonge Nederlandse scullers.

Oogappel Arisz is voor hem het voorbeeld hoe in Nederland snel en efficient de wereldtop bereikt kan worden. 'Op internationale ervaring moet je zeker niet gaan zitten wachten', was al een van zijn theorieen voordat Arisz op 19-jarige leeftijd doorbrak.