Pure plattelandsfilmerij

Er zijn van die films waarvan de integriteit de belangrijkste kwaliteit vormt. De toeschouwer ziet het aan, wordt niet erg meegesleept, maar moet toegeven dat hier met eerlijke toewijding is gewerkt zonder zichtbare knieval voor de kassa en zonder enig effectbejag. De regisseur en de acteurs verstaan hun vak, het is allemaal met mededogen voor de personages in beeld gebracht en er is geen greintje cynisme bij. Je zou zo'n film humaan kunnen noemen. Maar als iemand vraagt of hij er heen moet, is het moeilijk een antwoord te geven. Tja, ach, wat zal ik zeggen... Rachel River is het speelfilmdebuut van de Amerikaanse cineast Sandy Smolan, die in 1983 voor een documentaire naar het onherbergzaam ogende noorden van Minnesota reisde en besloot dat hij tegen die achtergrond ooit een speelfilm wilde maken. Het fictieve dorp uit de titel is een onaantrekkelijk, rommelig zootje huizenblokken en boerderijen, waar mensen wonen met Noorse namen en waar de wind guur over de verlaten landweggetjes waait. De mannen zijn bonkig en ongeschoren, ze dragen geblokte overhemden of ruige schapewoltruien, houthakkersjacks en modderlaarzen. Ze wonen in houten huizen met planken op de vloer en zelfs de sneeuw op de velden is niet romig, maar schraal. In hun midden loopt natuurlijk ook een achterlijke jongen rond, die alles hoort en ziet. En een jonge vrouw die in zo'n milieu naar zuiverheid zoekt, heeft het moeilijk.

Het is niet aardig zoveel cliches uit de plattelandsfilmerij achter elkaar te zetten, want Rachel River straalt de puurheid uit van een regisseur met authentieke bewondering voor het harde leven van zijn hoofdpersonen. Bovendien zijn die personen ontleend aan verhalen van een schrijfster uit de regio, wier mensenkennis aanleiding gaf tot twee hoogst gave vrouwenrollen, gespeeld door de jonge Pamela Reed en de oudere Viveca Lindfors. Beide personages hebben reden tot verdriet, maar trachten zich desondanks met veel realiteitszin staande te houden. Naast hen verschijnt Craig T. Nelson als een ogenschijnlijke dommekracht met eenzaamheid in zijn ogen.

Hun drama wordt op ingehouden toon verteld. Op het eerste gezicht is er maar weinig aan de hand. Een kluizenares sterft, het vermoeden rijst dat ze veel geld heeft nagelaten en de vraag is aan wie. Terwijl die dorpsintrige gaande is, proberen twee mannen Pamela Reed het hof te maken. Op een bepaald moment legt ze zich even neer bij the dumbness of it all en staakt haar verzet. Dat is eigenlijk alles. Men zou achter elke scene een heel hoofdstuk uit een Noorse trilogie kunnen vermoeden, maar Smolan laat het bij de suggestie. Geen geexalteerde emoties, geen expliciete uitleg van gevoelens, alleen twee korte droomscenes die een veel te zoetige stijlbreuk vormen in deze korzelige, stugge sfeer. Maar ook nauwelijks een echt conflict. Misschien is dat de reden waarom dit portret van een intrigerende gemeenschap zo blijft steken in de zorgvuldige beschrijving en zo weinig afkeer of bijval oproept. De sfeertekening is te braaf gebleven, te sympathiek en het hoge woord moet er toch maar uit te saai.