Het surrealisme blijkt rekbaar in Boymans

Een cafetafeltje met gietijzeren voet en marmeren blad staat middenin de woestijn. De minutieus geschilderde glazen, de kringen op het blad, een muntstuk dat licht vangt dat stilleven staat in vreemd contrast met de kameel en de zandheuvels aan de horizon. De verbinding ertussen wordt gevormd door een jongetje niet meer dan een donkere silhouet dat naast het tafeltje staat en de woestijn in kijkt. Heeft de schilder, Salvador Dali, hier zichzelf als kind afgebeeld dat kijkt naar het visioen van zijn latere, fantastische oeuvre?

Dit schitterende, zo realistisch geschilderde en toch zo onwerkelijke schilderij uit 1936 is het uitgangspunt van de tentoonstelling met dezelfde naam: Zonnetafel. Museum Boymans heeft een expositie samengesteld met werken uit de collectie waarin het surrealisme wordt gepresenterd omringd door een brede kring van voorlopers en latere varianten. Een van de mooiste voorbeelden van een vroege surrealist is de symbolist Max Klinger. Zijn grafiekreeks heeft de wederwaardigheden van een handschoen tot onderwerp, een vorm van fetisjisme die Breton en Man Ray niet vreemd was. Niet helemaal op zijn plaats lijken Manets illustraties bij Edgar Allan Poe's verhaal The Raven; niet de stijl van de tekeningen is surrealistisch, maar de inhoud van het verhaal.

Vermakelijk zijn Ensors blasfemische of pornografische spotprentjes thema's die we enkele decennia later terugvinden bij de surrealisten. Mijn portret als skelet moet Magritte geinspireerd hebben: afgebeeld is een man in een mooie fluwelen jas, waaruit een stel stevige handen steekt terwijl het gezicht tot op het bot is weggerot. Ook de met een doek vertegenwoordigde Paul Delvaux is een tijdgenoot van Dali en een 'zuivere' geestverwant, maar er zijn ook meer naar het magisch-realisme neigende stukken van Carel Willink en De Schiettent van Pyke Koch. Moeilijker te plaatsen is het kitscherige vrouwenportret van Francis Picabia. Alleen mensen die weten dat Picabia elke stijl omhelsde die hij tegenkwam en daarmee de stijlloosheid als stijl propageerde, kan er meer in zien dan een beeltenis van een zigeunerin. Picabia is daarin eerder verwant met het provocerende dadaisme, dat de directe inspiratiebron is geweest van veel surrealisten. De Boite-en-Valise, de doos in de koffer die Marcel Duchamp in oplage maakte en een recente aanwinst is van het museum, is in de loop der tijd uitgegroeid tot het dada-object bij uitstek. In een doos die weer past in een leren koffertje, heeft Duchamp alles wat hij tot 1936 maakte, op klein formaat gekopieerd en als een mini-tentoonstelling samengevoegd. We zien de Mona Lisa voorzien van een snor, een foto van het op een krukje gemonteerde fietswiel en het urinoir, in miniatuur gemaakt van gips. Veel 'navolgers' die in de tentoonstelling worden gepresenteerd, lijken dichterbij het dadaisme te staan dan bij Dali.

Het onderscheid tussen de twee '-ismen' die hun bloeitijd hadden tussen 1920 en 1940, berust echter op nuances en niet op duidelijk aanwijsbare verschillen. Zo moet de Zachte wastafel van Claes Oldenburg een rechtstreekse verwijzing naar Duchamps urinoir zijn. Ook Wim T. Schippers' eenvoudige ingreep, gepleegd met gevoel voor het absurde, is een dadaistische. Hij verstopte een stel groen gelakte eieren in een hoogpolig kamerbreed tapijt en hing het aan de muur. Schippers was een van de oprichters van Fluxus, de kunstenaarsgroep die door middel van happenings de kunst op straat bracht. Op de tentoonstelling geven twee vitrines vol pamfletten en boekjes van Fluxus inzage in hun clowneske houding tegenover kunst en leven. Heel mooi zijn de manifesten en tijdschriften van onder anderen Tzara, Eluard en Breton die de theoretische grondslagen en de bizarre inslag van de surreele levensvisie naar voren brengen. En dat Joan Miro ook installaties maakte, blijkt nu uit het absurde werk Meneer en mevrouw dat bestaat een hoge en een lage kruk.

Al is de kunst van Dali en de zijnen moeilijk onder een noemer te vangen omdat ze zowel het onderbewuste als het banale als thematiek had en dat op een spirituele maar ook parodierende manier uitbeeldde, eeuwig rekbaar is het surrealisme niet. De keuze van diverse hedendaagse kunstwerken is ronduit bevreemdend, zoals George Segals Paar bij de trap eerder een hyper- dan een surrealistische installatie en Sigmar Polke's reeks geglaceerde schilderijen. Alleen de titels van de West-Duitser suggereren zijn speelse houding tegenover kunst: Dat was altijd al zo en Dat hebben we nog nooit zo gedaan.

Het is jammer dat de recente variant, het absurdisme, onderbelicht blijft met de Belg Guillaume Bijl en een kitscherig doek van Milan Kunc. Jongeren zoals Wim Delvoye en Erwin Olaf waren hier zeker op hun plaats geweest. Maar die heeft Boymans waarschijnlijk (nog) niet in de collectie, die met zijn surrealistische leidraad een van de meest coherente en uitzonderlijke museumverzamelingen in ons land is.