'Eerwraak in onze samenleving niet te tolereren'

AMSTERDAM, 9 aug. De avond voordat hij Nihat Karaman doodschoot heeft de 23-jarige A. R. het slachtoffer opgebeld en gewaarschuwd: 'Bij alles wat me heilig is: ik neem je te grazen.'

De volgende dag maandag 27 juni 1988 bracht hij Karaman, voorzitter van de Turkse arbeidersvereniging HTIB, voor diens woning met drie pistoolschoten om het leven. Tijdens zijn berechting gisteren door de Amsterdamse rechtbank zei de verdachte dat hij geen andere mogelijkheid zag. Hij is ervan overtuigd dat zijn zuster door Karaman zou zijn verkracht. 'En als je in Turkije een vrouw verkracht, is dat je reinste zelfmoord.' Voor de medestanders van Karaman is het motief van de zogeheten eerwraak echter onbevredigend. De moord op de vakbondsleider heeft de Turkse gemeenschap in Nederland diep geschokt. Karaman was sinds zijn komst naar Nederland in 1970 uitgegroeid tot de informele leider van de progressieve Turken in Nederland. Behalve oprichter en voorzitter van de links georienteerde arbeidersvereniging HTIB was hij actief in talloze organisaties op het gebied van minderheden. Ook was hij de stuwende kracht achter de oprichting van het Inspraak Orgaan Turken (IOT) dat het ministerie van WVC adviseert.

Honderden Turken uit Nederland, Belgie en West-Duitsland bezochten drie dagen na de moord een herdenkingsbijeenkomst te ere van Karaman. Honderden mensen ondertekenden de dagen na zijn dood de tientallen rouwadvertenties in de dagbladen. Karaman werd daarin getypeerd als 'een onvermoeibaar strijder voor vrede en gerechtigheid'.

De HTIB vecht voor meer democratie in Turkije en is een verklaard tegenstander van de extreem-rechtse organisatie van de Grijze Wolven. Uit verklaringen die gisteren op de zitting werden voorgelezen bleek dat in HTIB-kringen daarom wordt aangenomen dat de moord op Karaman een politieke achtergrond moet hebben.

In zijn requisitoir gisteren nam echter ook officier van justitie mr. T. van Noord de motivering van de verdachte over. Van Noord stelde wel dat 'een dergelijke uitvoering van een eerwraak in onze samenleving niet te tolereren is'.

Hij eiste daarom 12 jaar gevangenisstraf met aftrek van voorarrest; de verdachte zit sinds zijn arrestatie op 16 februari gevangen.

Een belangrijk bewijsstuk in het strafdossier is de rapportage van de Leidse Turkoloog drs. A. H. Nauta. Deze deskundige geeft een uitvoerige analyse van het voorgevallene en komt onder meer tot de conclusie dat 'het motief van de zogenaamde eerwraak het enige voor de hand liggende en goed te onderbouwen motief is'. Verdachte zelf heeft verklaard dat hij twee dagen voor zijn daad uit een ruzie tussen zijn zuster en haar man had opgemaakt dat zij door Karaman was verkracht. Dit zou gebeurd zijn tijdens een kinderkamp een jaar eerder, in 1987, waaraan haar zoon en de zoon van Karaman deelnamen. R. verklaarde gisteren dat hij zijn zwager er niet toe in staat achtte de eer van de familie te redden. Daarom kocht R. naar zijn zeggen de avond voor de moord een pistool om Karaman te doden. 'Ik kon dit niet pikken. Er was geen andere manier van genoegdoening mogelijk.' Uit de rapportage van Nauta blijkt dat er geen sprake hoeft te zijn van een 'echte' verkrachting. 'Als een Turkse vrouw van overspel verdacht wordt, staat zij met haar rug tegen de muur. Zij kan dan alleen haar onschuld bewijzen door te zeggen dat zij verkracht is.' De raadsman van de verdachte, mr. T. Badoux, benadrukte dat Karaman 'misschien een verkrachter, waarschijnlijk een versierder' is geweest. 'Voor een Turk zijn zulke activiteiten levensgevaarlijk, ' aldus Badoux, die verder stelde dat de 'mythologisering' van de vakbondsleider het opsporingsonderzoek lange tijd parten heeft gespeeld. Overigens concentreerde de verdediging zich gisteren op een formeel punt in de telastelegging: deze zou een onjuiste opgave bevatten van het telastegelegde feit en daarom ongeldig zijn. Voor het geval de rechtbank dit verweer niet accepteert, stelde Badoux dat er bij zijn client sprake is geweest van psychische overmacht. Hiervoor verwees hij naar de rapportage van Nauta waar deze stelt dat 'de verdachte zich bij zijn daad uitsluitend heeft laten leiden door zijn plichtsgevoel de familie-eer te moeten zuiveren hetgeen volgens het gewoonterecht van verdachte's milieu en volgens hemzelf slechts kon geschieden door de schuldige te doden.' De secretaris van de HTIB, Ibrahim Ozdemir, zei gisteren in een reactie dat de verdachte zich verschuilt achter de Turkse tradities. 'De cultuurverschillen worden alleen aangevoerd om strafvermindering te krijgen.'

Bovendien zou de R. niet volgens de echte tradities gehandeld hebben. Ozdemir: 'De eer van de traditionele Turk berust op zijn paard, zijn wapen en zijn vrouw. Wordt een van deze zaken geschonden dan is er slechts een straf voor de overtreder en dat is de dood. Wanneer bijvoorbeeld een Turkse vrouw verkracht wordt, is het de plicht van de traditionele echtgenoot om eerst zijn vrouw te doden, dan de verkrachter en vervolgens zichzelf te melden bij de politie. Zo heeft hij zijn eer gered. De broer speelt bij dit alles helemaal geen rol.'

Als de rechtbank de culturele achtergrond als verzachtende omstandigheid accepteert, zal dit volgens de HTIB-secretaris 'meer verwarring en meer doden' veroorzaken. 'Allerlei mensen zullen zich voor het plegen van misdaden ten onrechte gaan beroepen op de tradities van hun land.'

Ozdemir noemde het onderzoek van Justitie oppervlakkig. Volgens hem zijn er tal van punten die er op wijzen dat de daad van R. geen eenmansactie was.

De rechtbank doet uitspraak op woensdag 22 augustus.

Eer van Turk berust op zijn paard, wapen en vrouw