WAKKER UIT EEN ZOETE DROOM

Hoe de huidige crisis in het Midden-Oosten ook afloopt, een ding staat vast: Iraks sterke man Saddam Hoessein heeft de olieverbruikende landen er pijnlijk aan herinnerd dat de wereld nog steeds voor haar olievoorziening in hoge mate afhankelijk is van het politiek zeer onstabiele Midden-Oosten. De westerse industrielanden en Japan, zo lijkt het, hebben zich in de jaren tachtig in slaap laten sussen. Na de dramatische prijsval voor olie in 1985 en 1986 leek er voorlopig evengeen vuiltje aan de lucht. Er waren buiten de landen van het Opec-kartelnieuwe grote olievondsten gedaan (Alaska, Noordzee, Maleisie). Een nieuw tijdperk van overvloedige olievoorraden leek te zijn aangebroken en vrijwel niemand verwachtte dat de Opec ooit weer zo stevig in het zadel zou komen te zitten als in de jaren zeventig.

Ook de dertien Opec-landen zelf geloofden er niet in, getuige hun bijna spreekwoordelijk geworden ondisciplinaire produktiegedrag. Afspraken over het beperken van de olieproduktie werden met voeten getreden om maar zoveel mogelijk oliedollars binnen te halen. Met het gevolg dat de richtprijs van de olie-organisatie op de markt zelden werd gerealiseerd.

De olie-importerende landen profiteerden gretig van dat gebrek aan discipline binnen de Opec: ze voerden de olieconsumptie de laatste jarengeleidelijk aan weer op en verzuimden tegelijkertijd voor alternatieven te zorgen. Vooral de Amerikanen werden door hun zorgeloze houding en tomeloze energieverbruik in steeds grotere mate afhankelijk van geimporteerde olie. De eigen olieproduktie in Europa en de VS daarentegen vertoonde de laatste jaren een daling.

Wie de statistieken van wereldoliereserves, -produktie en -verbruik analyseert, komt tot de verontrustende conclusie dat de wereldook zonder een Iraakse invasie van Koeweit binnen een tijdsbestek van een jaar of tien opnieuw in de tang van de Opec zou zijn geraakt.

Van verschillende kanten is de laatste tijd op dit gevaar gewezen. Topman Robert Horton van British Petroleum bij voorbeeld waarschuwde dat de vraag naar olie in de wereld het aanbod sneller zou overtreffen dan de meeste mensen voorzien. Zijn collega L. van Wachem van Koninklijke/ Shell zei in een interview met deze krant onlangs hetzelfde. Volgens Van Wachem moeten we, gezien de onstuimige groei van de wereldbevolking, rekening houden met een zeer forse stijging van het energieverbruik, vooral in ontwikkelingslanden.

De Shell-topman voorspelt dat er zelfs geen ruimte is voor het verschuiven van de consumptie van de ene energievorm naar de andere 'en dat we alle energievormen een beetje moeten laten groeien om aan de vraag te kunnen voldoen'. Dr. Subroto, de Indonesische secretaris-generaal van de Opec, schetste op een forumbijeenkomst in Alaska in maart van dit jaar de situatie op een andere manier. De Opec, aldus Subroto, beschikt vandaag over een produktiecapaciteit van circa 27 miljoen vaten olie per dag. Dat maakt een maximale produktie mogelijk van 25 miljoen vaten. Subroto verwacht dat door de stijging van de wereldvraag naar olie met 1,2 a 1,6 procent in de komende vijf jaar, de behoefte aan Opec-oliezal toenemen. Hij voorspelt dat de vraag naar olie in de wereld (exclusief Sovjet-Unie, Oost-Europa en China) in 1995 zal zijn toegenomen tot 55 miljoen vaten per dag en tot 58 miljoen vaten in het jaar 2000. Aan de aanbodkant rekent Subroto met een produktie van 28 miljoen vaten uit de niet-Opec-landen in 1995 en met 26 miljoen vaten in 2000. Zijn rekensommetje komt dan uit op een vraag naar Opec-olie van 27 miljoen vaten in 1995 en zelfs 32 miljoen bij de eeuwwisseling. 'Het is duidelijk dat de Opec met de huidige produktiecapaciteit deze vraag niet aankan', zegt Subroto. 'De Opec zal voor ruim zes miljoen vaten extra capaciteit moeten creeren. Enwij schatten dat dat ongeveer zestig miljard dollar zal vergen, ofwel tien procent van Opecs jaarlijkse olie-inkomsten.

Met de huidige schuldenlast van de Opec-landen van ruim 215 milard dollar en de daaraan verbonden rentelast zal het voor de organisatie buitengewoon moeilijk, zo niet onmogelijk zijn deze bedragen op te brengen.' De secretaris-generaal van de Opec gebruikt deze redenering vervolgens om erop te wijzen dat een olieprijs van 18 dollar per vat (op dat momentnog de Opec-richtprijs) te laag is en het risico in zich bergt dat de organisatie zich financieel vertilt. Het zou er, aldus Subroto, zelfs toe kunnen leiden dat de olieprijzen op een bepaald moment 'zeer aanzienlijk' moeten worden verhoogd.

Die prijsverhoging is eerder gekomen dan Subroto kon vermoeden. Door de Koeweit-crisis schommelen de olieprijzen op de wereldmarkt vandaag al rond de 28 dollar. En het zal van het verloop en de duur van het conflict afhangen of de prijzen zich op dit niveau handhaven.

Maar wat de uitkomst van de mondiale boycot tegen Irak ook oplevert, het neemt niet weg dat de wereld de komende jaren steeds afhankelijker wordt van olie uit de Opec-landen en dan met name van de Opec-landen in het Midden-Oosten. Simpel en alleen vanwege het feit dat de Opec eind vorig jaar beschikte over driekwart van de bewezen oliereserves in de wereld en het Midden-Oosten ruim 65 procent van de wereldreserves in de bodem had zitten. Het Midden-Oosten beschikt over circa 660 miljard vaten aan bewezen reserves op een totalewereldreserve van naar schatting 1012 miljard vaten. De afgelopen drie jaar is de reservepositie van het Midden-Oosten zelfs sprongsgewijze verbeterd door nieuwe vondsten en opwaardering van de olievoorraden in Iran, Irak en Abu Dhabi. Vorig jaar werd het reservecijfer van Saoedi-Arabie fors naar boven bijgesteld zodat dat land thans met 255 miljard vaten een kwart van alle bewezen oliereserves in de wereld bezit. Op basis van het huidige Saoedische produktieniveau zou dat voldoende zijn voor bijna 140 jaar produktie.

In totaal beschikken de dertien Opec-landen over 767 miljard vaten aan bewezen oliereserves; de rest van de wereld komt niet verder dan 245 miljard vaten. Deze cijfers illustreren eens te meer de eenzijdige afhankelijkheid van het Midden-Oosten en van de Opec.

In de jaren zeventig nam de Opec bijna zestig procent van de wereldolieproduktie voor haar rekening. Door de oliecrises van 1973/1974 en 1979/1980 zakte dat aandeel medio jaren tachtig naar ongeveer een derde, maar daarna is het weer geleidelijk gestegen. Niet toevallig loopt die vergroting van het Opec-aandeel parallel met detoeneming van het wereldverbruik. Tijdens de economische recessie in 1983 bereikte dat verbruik een dieptepunt van bijna 2800 miljoen ton om daarna weer gestaag te stijgen tot circa 3100 miljoen ton in 1989 - het niveau van 1979. Opvallend is dat de groei van het olieverbruik in de jaren tachtig is verschoven van de Oeso-industrielanden, de Sovjet-Unie en Oost-Europa naar de ontwikkelingslanden in Zuid-Amerika, het Midden-Oosten, Afrika en vooral naar de opkomende industrielanden in Azie. Hieruit blijkt niet alleen hoezeer industriele ontwikkeling van landen leidt tot een hoger energieverbruik, maar vooral ook dat werelddelen met de grootste bevolkingsgroei het sterkst bijdragen aan de toeneming van de vraag naar olie. De rijke industrielanden dienen zich terdege te realiseren dat energiebesparing (al was het alleen al met het oog op milieu-effecten) zeer waarschijnlijk totaal onvoldoende zal zijn om de totale vraag naar olie in de wereld te stabiliseren.

Op dit moment komt ongeveer tachtig procent van het bruto nationaal produkt van de wereld voor rekening van de rijke industrielanden die slechts twintig procent van de wereldbevolking herbergen. Tussen 1970 en 1985 is het aandeel van de ontwikkelingslanden in het wereldenergieverbruik gestegen van 14 tot 23 procent. Weliswaar is in diezelfde periode de energie-intensiteitvan de produktie in de industrielanden (onder meer door de nadruk op een grotere produktie van diensten, door energiebesparende maatregelen als gevolg van de energiecrises en de zorg om het milieu) aanmerkelijk verlaagd, maar in de ontwikkelingslanden in Azie, Afrika en Zuid-Amerikaging die intensiteit juist omhoog: als het inkomen stijgt wordt er meer energie verbruikt.

Een zorgelijke factor voor de olie-importerende landen is ten slotte dat de olieproduktie in de niet-Opec-landen kennelijk haar top heeft bereikt en de komende jaren waarschijnlijk zal teruglopen. Door de relatief lage olieprijzen van de afgelopen jaren en door de verscherping van milieumaatregelen is de exploratie, vooral in Noord-Amerika, verwaarloosd. Opec-secretaris Subroto voorspelt dat, bij het huidige verbruikstempo, de bewezen oliereserves van de VS binnen negen jaar nog slechts een marginale betekenis zullen hebben. Het machtigste land ter wereld, dat nu al de helft van zijn oliebehoefte importeert, zou dan in het jaar 2000 voor 65tot 70 procent van ingevoerde olie afhankelijk kunnen worden. 'Kamelen op het behang' of een teken aan de wand?