STOOT DE EZEL ZICH VOOR DERDE KEER?

De Koeweit-crisis levert volgens oliedeskundige Peter Odell het definitieve bewijs: het Midden-Oosten is onbetrouwbaar. De Westerse industrielanden moeten voor hun energievoorziening niet afhankelijk zijn van olie uit het Midden-Oosten. De derde - en volgens Odell de laatste - waarschuwing. Een interview.

Hij heeft het al meer dan eens geroepen, maar na de invasie van Irak in Koeweit staat het voor oliedeskundige prof. Peter Odell als een paal boven water: de olie-importerende landen moeten zo snel mogelijk een van de afhankelijkheid van olie uit het politiek onbetrouwbare Midden-Oosten. 'U kent het gezegde: eens gebeten, de tweede keer schuw. Welnu, we worden nu voor de derde keer gebeten en ik denk dat we nu echt schuw weglopen.' Op zijn met boeken en papieren overladen werkkamer op de tiende etage van het Rotterdamse Woudestein-complex praten we met Odell, directeur van het Centrum voor Internationale Energiestudies van de Erasmus Universiteit, over de Koeweit-crisis, over wat er allemaal met de olieprijs kan gebeuren.

Is dit de derde grote olieprijsschok? Odell is er niet helemaal zeker van maar sluit de mogelijkheid geenszins uit. In rap tempo doceert de hoogleraar: 'Beide vorige grote opwaartse prijsschokken, die van 1973 en die van 1979, werden veroorzaakt door politieke factoren, de oorlog tussen de Arabieren versus Israel en de Iraanse revolutie. En ze leidden beide tot een verdrie- of verviervoudiging van de olieprijzen. De mogelijkheid bestaat dat wat er nu gebeurt, leidt tot een verdubbeling of zelfs verdrievoudiging van de olieprijs. In juli lag de gemiddelde prijs van internationaal verhandelde olie een fractie onder de 14 dollar. Vergeleken met de huidige prijzen op de 'spotmarket' is er al sprake van een verdubbeling en de tendens is dat het nog verder omhoog gaat. 'Het is duidelijk dat bij een omvangrijke boycot van de Iraakse en de Koeweitse produktie, bij elkaar zo'n 4,5 miljoen vaten per dag, het nogal wat tijd kost je aan te passen aan de nieuwe vraag- en aanbodverhouding. Daarom zou de olieprijs niet slechts dagen, weken of maanden maar een aanzienlijk langere periode zeer veel hoger kunnen blijven, net zoals dat het geval was na twee oliecrises in de jaren zeventig.'

Gemakzuchtig

Odell vindt, terugkijkend, dat de olie-importerende landen de afgelopen jaren te gemakzuchtig zijn geweest ondanks de herhaalde waarschuwingen van onder meer het Internationaal Energie Agentschap. 'Het IEA heeft daar inderdaad wel op gewaarschuwd, maar het probleem was dat ze de verkeerde spijker op de kop sloegen. Ze hamerden erop dat we niet te veel afhankelijk van olie mochten worden omdat de olie opraakte. Maar dat was mis. Het punt is dat je risico loopt zolang je je aandacht concentreert op olie uit het Midden-Oosten, zonder dat je er eerst concrete voorzieningen hebt getroffen voor de continuiteit van de voorziening.' Op korte termijn moet het Westen in Odells visie snel actie ondernemen en hetzij de vraag naar olie beperken of zorgen voor aanvullend aanbod van olie en andere energiedragers. Hij wijst op het gevaar van speculatie op de oliemarkt ('de handelaren die geen belangstelling hebben voor olie als zodanig, maar alleen voor olie als middel om geld te verdienen'). 'In de jaren tachtig is een hele reeks speculatieve markten ontstaan waar gehandeld wordt in 'natte barrels' of 'papieren barrels'. De mensen die handelen, zijn geen olieverbruikers, oliemaatschappijen en zelfs geen olieproducenten maar financieringshuizen, banken, en handelaren van diverse pluimage. Als zij het voor het zeggen hebben, kan de olieprijs stijgen tot het niveau van 1980/1981 toen er een vergelijkbare situatie was en de westerse geindustrialiseerde wereld geen actie ondernam om de zaak in de hand te houden.' Niemand deed een poging, aldus Odell, om er iets aan te doen. Het Internationaal Energie Agentschap zei destijds dat het niet kon ingrijpen omdat er minder dan 7,5 procent van de olie uit de markt was genomen. 'En nu schommelt de vermindering van het olie-aanbod opnieuw rond die marge waarbij het energie agentschap mag en zelfs moet ingrijpen.'

Strategische reserve

Om weer greep op de oliemarkt te krijgen zou president Bush een deel vande Amerikaanse strategische oliereserve op de markt kunnen brengen, meent Odell. De VS hebben een reserve van vele honderden miljoenen vaten gevormd. 'Ook is belangrijk of Japan, dat voor 140 dagen olie in voorraad heeft, bereid is die voorraden aan te spreken in plaats van zijn handelaren op pad te sturen om langs allerlei officiele en minder officiele wegen nog meer olie te kopen. De vraag is ook of de Britse regering de oliemaatschappijen die actief zijn op de Noordzee, zal ontheffen van de verplichting de jaarlijkse grote onderhoudsbeurt aan hun installaties uit te voeren en zal toestaantijdelijk zoveel mogelijk te produceren. En ook Nederland zou kunnen zeggen: in tegenstelling tot de jaren zeventig, toen we het verbruik van aardgas aan banden legden, draaien we nu de gaskraan geheel open voor bij voorbeeld elektriciteitsopwekking, niet alleen in Nederland zelf maar ook voor andere Westeuropese landen die op gas kunnen overschakelen.' Ziet Odell nog een bijzondere rol voor de Sovjet-Unie, de grootste olieproducent ter wereld? 'De Sovjet-Unie is nu een tijger in een andervel. Zij stemt nu mee met de rest van de wereld in de VN en de Veiligheidsraad. Moskou wil samen met de VS voorkomen dat het westerse systeem niet in een zeer diepe depressie duikt, want als dat gebeurt kande Sovjet-Unie geen westerse hulp verwachten. Als die motivatie voor de Sovjet-Unie zwaarder weegt dan het idee: hoe hoger de olieprijs, hoe meer geld we binnen krijgen dan zullen ze er eveneens voor zorgen dat hun olie-aanbod groter wordt, voorzover dat althans mogelijk is. Op het ogenblik kan de Sovjet-Unie waarschijnlijk niet erg veel meer produceren dan ze doet als gevolg van technische problemen. De Russen hebben hun export dit jaar vanwege die problemen alverlaagd.'

'Als we willen, hebben we het in onze macht iets aan de situatie te doen', meent Odell. 'Niet zozeer als een reactie op wat Irak heeft gedaan, maar als een reactie op de beslissing om Iraakse en Koeweitse olie te boycotten. Het is de boycot die het olieprobleem creeert. De oliesector wordt nu geconfronteerd met een probleem dat voortvloeit uit beslissingen die zijn genomen om andere redenen dan uitsluitend olie. Die beslissingen zijn genomen om een agressor te bestraffen, om de wereldorde te bewaren door te tonen dat agressie niet loont.

Redder in nood

Odell gelooft niet dat Saoedi-Arabie op de oliemarkt zal optreden als een redder in de nood. 'Nee, ik denk dat de rol van Saoedi-Arabie zeer passief zal zijn. In het meest gunstige geval kunnen we van dat land verwachten dat het zijn huidige produktie handhaaft. Ze hebben de capaciteit om het verlies aan olie-aanbod uit Koeweit en Irak te compenseren. Maar als ze dat doen, denk ik niet dat de spanning in het Midden-Oosten zal verminderen. Integendeel. Ik verwacht niet dat ze zullen aankondigen tien of acht miljoen vaten per dag te zullen produceren in plaats van de huidige vijf miljoen. Hooguit zal er een oncontroleerbare kleine verhoging van de produktie plaatsvinden, ongeveer een half miljoen vaten per dag. 'Het is een probleem van de geindustrialiseerde wereld en laten we Saoedi-Arabie niet vragen het voor ons op te lossen. En bovendien, het is ons probleem want het is onze rijkdom die in het geding is, het is onze recessie, als die er komt. Het is echt aan onszelf om iets te doen.' 'Self-inflicted wounds' in de huid van de Westerse samenleving heeft Odell de eerste twee olieprijsexplosies genoemd, omdat ze in zijn ogen niet noodzakelijk waren. 'Wij in het Westen hebben toegelaten dat ze zich voltrokken. Ik bedoel als je het tweemaal laat gebeuren is het zeer slordig, maar als we het nu een derde keer laten gebeuren, kon het wel eens rampzalig zijn. Misschien zijn de Westerse regeringsleiders er nu voldoende van doordrongen dat ze een zeer actief beleid moeten voeren om zeker te stellen dat de oliesituatie niet onbeheersbaar wordt. Maar totnutoe hoor ik op de radio of in de pers, of in de verklaringen van de ministeries van energie niets over denoodzakelijke maatregelen.'

Fragiel

In eerste instantie moeten we er, aldus Odell, voor waken dat de prijs niet te ver doorschiet zoals begin jaren tachtig, waardoor de wereld in een moeilijk economisch parket raakte. 'Op dit moment is de economie van de westerse wereld misschien nog wel breekbaarder dan destijds, door de ecomische problemen in de VS en door de zorgen voor Oost-Europa. En verder is er nog de schuldenproblematiek van Derde Wereldlanden - een opeenstapeling van problemen vergeleken met tien jaar geleden. Als we toestaan dat die schuld astronomisch stijgt dan kunnen we onszelf in een zeer moeilijke economische periode manoevreren.

'Door het vergroten van aanbod en het verkleinen van de vraag zijn we misschien in staat de periode uit te zingen waarin de markt het zonder die 4,2 miljoen vaten per dag moet stellen. Op wat langere termijn zal aanbod uit andere bronnen moeten loskomen. Olievelden in Noord-Amerika zullen weer in worden genomen en aan de andere kant zal de vraag afnemen door de hogere prijzen en door andere maatregelen. Dan zijn we terug bij een evenwicht op middellange termijn waarbij een olieprijs van ongeveer 25 dollar hoog genoeg is om voor stabiliteit te zorgen en niet zo hoog dat zij het economische systeem ondermijnt.' Odell signaleert dat zich tussen 1950 en 1970 wel een achttal crisissituaties rond de olie in het Midden-Oosten heeft voorgedaan. Al die crises verschilden wat hun ontstaan betreft niet wezenlijk van dehuidige situatie, namelijk een politiek probleem tussen landen in het Midden-Oosten, allemaal leidden ze op korte termijn tot een hogere olieprijs, maar in een kwestie van weken, in sommige gevallen maanden, was de oliesituatie in de wereld weer in evenwicht. 'Als je terugkijkt naar al die crises zie je ze terug als kleine rimpelingen in de lange neergaande lijn van de olieprijzen tussen 1950 en 1970. De vraag is: is de Koeweit-crisis een rimpeling? Welnu, naar mijn mening is dat niet een erg waarschijnlijk. Ik kan me niet voorstellen dat - met Iraak aan de kraan van de Koeweitse olie - dat we een tekort van ruim 4 miljoen vaten olie aan de aanbodzijde helemaal de baas kunnen. Maar we zouden er nog weleens versteld van kunnen staan over de mate waarin de vraag naar olie kan worden teruggedrongen. Twee rimpelingen in de jaren zeventig groeiden uit tot hele grote schokgolven. Ik neig ernaar te denken dat de huidige crisis niet zomaar een rimpelingetje is, tenzij we verrast worden door de mate waarin de grote olie importerende landen hun vraag naar importolie kunnen beperken.'

Maatregelen

De VS spelen een hoofdrol volgens Odell omdat zij hebben toegelaten weer in hoge mate - voor ruim vijftig procent - afhankelijk te worden van geimporteerde olie. 'De vraag is, is Bush, is de Amerikaanse olie-industrie in staat een situatie te creeren waarbij door prijsverhogingenvoor olieprodukten en het snel aanjagen van de eigen olieproduktie de afhankelijkheid van import wordt verkleind. 'Ik zie niet dat we terugkeren naar autoloze zondagen ... maar de snelle herkenning door vele consumenten van de gevaren die aan olie kleven, zou weleens voldoende kunnen zijn om de langzame stijging van het verbruik om te buigen in een dalende consumptie.' In belastingverhoging op olieverbruik ziet Odell een prima middel om het verbruik af te remmen. 'Deze crisis in het Midden-Oosten zou gebruikt moeten worden om de strijd te verhevigen tegen de crisis die anders dreigt te ontstaan in de vorm van opwarming van de atmosfeer door het verbranden van fossiele brandstoffen. Hoe eerder je de belastingen verhoogt, des te beter. Stimuleer tegelijkertijd energiebesparing en je slaat twee vliegen in een klap.'

'Ik denk dat dit derde grote probleem met olie binnen een tijdsbestek van twee decennia zal leiden tot een definitieve erkenning dat de wereld eenvouding niet kan vertrouwen op de landen in het Midden-Oosten. Het aandeel van Opec in de produktie van de niet-communistische landen is sinds 1986 van dertig naar ruim veertig procent gestegen; we hebben toegelaten dat de vraag naar olie weer werd aangemoedigd door het fabriceren van snellere en grotere auto's, door niet zo snel als we konden over te schakelen op gas, door onvoldoende te investeren in alternatieve energie, door in sommige gevallen kernenergieprogramma's te ondermijnen. Als een gevolg van dat alles zijn we relatief meer afhankelijk geworden van olie uit het Midden-Oosten.' Odell ziet in de perikelen in het Midden-Oosten 'een nieuwe nagel aan de doodkist van de olie-industrie'.

Hij voorspelt het begin van het einde van olie als de energiedrager nummer een. 'Het zal gewoon de vervanging door andere soorten energiedragers versnellen. Ik had er rekening mee gehouden dat de wereld een generatie lang een stijging van het energieverbruik zou kennen van 1 a 2 procent per jaar. Wat de reserves betreft, bestond daarvoor geen barriere. Maar wat we nu in het Midden-Oosten gebeurt, maakt het nog waarschijnlijker dat steeds meer landen een 'weg-van-de-olie-beleid' zullen voeren.'