NCW vreest tegenvaller van 1,5 miljard gulden

ROTTERDAM, 8 aug. De VVD vindt dat de accijnzen op benzine en diesel moeten worden verlaagd nu de brandstofprijzen in reactie op de Golf-oorlog zo fors omhoog gaan. De vervoerdersorganisatie NOB-Wegtransport wil dat de tijdelijke accijnsverhoging op dieselolie ongedaan wordt gemaakt. Volgens de werkgeversorganisatie NCW kost de recente olieprijsstijging het Nederlands bedrijfsleven op termijn, als de hoge prijzen aanhouden, 1,5 miljard gulden.

Politici buigen zich over lagere accijns brandstof

Politici in Den Haag beraden zich over de vraag of als gevolg van de hogere benzine- en dieselprijzen de accijnzen op minerale olien moeten worden verlaagd. De VVD-fractie heeft zich vandaag bij monde van oud-staatssecretaris Koning van financien op het standpunt gesteld dat deze accijnzen omlaag moeten. Het ministerie van financien, alsmede de regeringsfracties van CDA en PvdA reageren nog terughoudend.

De VVD is bovendien van mening dat de voorgenomen accijnsverhoging op benzine van 8 cent per liter op 1 november van dit jaar niet moet doorgaan. De opbrengst van deze accijnsverhoging is bestemd voor het verkeersbeleid van het kabinet, vooral voor investeringen in het openbaar vervoer.

De VVD baseert zich op een motie die de huidige staatssecretaris Van Amelsvoort in 1986 als Tweede-Kamerlid voor het CDA had ingediend. Toen was het kabinet gekomen met een voorstel voor een als tijdelijk gepresenteerde accijnsverhoging die nodig werd geacht omdat de brandstofprijzen waren gedaald. Omdat de prijs van aardgas aan huisbrandolie is gekoppeld, betekende die daling een vermindering van inkomsten voor de Staat. De accijns van benzine werd toen met 9 cent verhoogd en van dieselolie, huisbrandolie en petroleum met 7 cent.

De motie-Van Amelsvoort, die door CDA en VVD werd gesteund, hield in dat deze accijnsverhoging moest worden teruggegeven op het moment dat de gasprijs 3,5 cent per kubieke meter boven het niveau van 1 juli 1987 zou komen. Op dit moment is de gasprijs gemiddeld 3,2 cent boven dat niveau. De eerstvolgende gasprijsverhoging voor kleinverbruikers kan overigens pas op 1 januari ingaan.

Van Amelsvoort hield toen de mogelijkheid open dat de tijdelijke accijnsverhoging ook door middel van een verlaging van de loon- en inkomstenbelasting kon worden teruggegeven. Vandaar dat op het ministerie van financien de vraag wordt gesteld of de motie door middel van de operatie-Oort die tot een verlaging van de loon- en inkomstenbelasting op 1 januari van dit jaar leidde feitelijk niet al is uitgevoerd, zonder dat iemand het toen heeft beseft.

Woordvoerders van de regeringsfracties zeiden het vandaag, gezien de onstabiele olieprijzen, nog te vroeg te vinden voor een oordeel over de accijnsverlaging, maar noemden haar niet onbespreekbaar.

De vervoerdersorganisatie NOB-Wegtransport heeft bij minister Kok van financien gisteren gevraagd de tijdelijke accijnsverhoging op dieselolie ongedaan te maken. Wegvervoerders heeft zij geadviseerd de vrachtprijzen te verhogen. Als vuistregel hanteert NOB Wegtransport dat bij iedere stijging van de dieselprijs met 5 cent de kostprijs van het vervoer met 1 procent stijgt.

NCW schat kosten bedrijven op 1,5 miljard

Een stijging van de olieprijzen met veertig procent kost het Nederlandse bedrijfsleven op termijn 1,5 miljard gulden, zo heeft het Nederlands Christelijk Werkgeversverbond (NCW) berekend.

Het NCW beperkt zich bij de berekening tot de financieele gevolgen van hogere gas- en elektriciteitsprijzen. Vermindering van de Nederlandse export wegens een mogelijke recessie in grote uitvoerlanden als West-Duitsland, de Verenigde Staten en Groot-Brittannie laten de christelijke werkgevers buiten beschouwing. 'Dan lopen de verliezen nog verder op', zo liet NCW-directeur dr. F. B. Lempers vanochtend weten.

Tegenvaller van een miljard voor grootverbruikers

De 22 grote energie-intensieve ondernemingen die zijn verenigd in het Sige (het Samenwerkingsverband van Industriele Grootafnemers van Energie) hebben volgens Sige-secretaris E. de Ferrante de afgelopen dagen als gevolg van de sterk gestegen olieprijzen een tegenvaller te verwerken gekregen van gezamenlijk om en nabij de een miljard gulden op jaarbasis.

De Sige-leden verbruiken samen jaarlijks zo'n zes miljard kubieke meter aardgas en 10 miljard kilowattuur stroom. Elke verhoging van de olieprijs met een dollar per vat kost de bedrijven gezamenlijk zo'n 90 miljoen a 100 miljoen op jaarbasis, aldus de berekeningen van De Ferrante. Behalve chemiereuzen als DSM en Hoechst Holland, zijn ook energievreters als Elektroschmelzwerk Delfzijl, Hoogovens in Ijmuiden en Luchthaven Schiphol lid van het Sige.

KLM vindt hoger tarief op korte termijn voorbarig

De KLM en veel andere luchtvaartmaatschappijen hebben zich gedeeltelijk ingedekt tegen de grillige fluctuaties van de olieprijzen door kerosine te betrekken via termijncontracten. De helft van de jaarlijkse brandstofbehoefte van de KLM is op die manier gedekt.

De KLM vindt het voorbarig dat enkele Amerikaanse luchtvaartmaatschappijen gisteren hebben aangekondigd hun tarieven met tien procent te verhogen wegens de omhooggeschoten olieprijzen. 'De Amerikanen verhogen hun tarieven wel erg snel, terwijl ze waarschijnlijk voorlopig verzekerd zijn van de levering van goedkope kerosine', aldus KLM-woordvoerder C. Hellendoorn. Want ook de Amerikanen hebben zich volgens hem gedeeltelijk ingedekt.

De chartermaatschappijen Transavia en Martinair maken minder gebruik van termijncontracten voor levering van kerosine. 'Bovendien lopen onze contracten op korte termijn af', zegt drs. A. J. Bakker, commercieel directeur van Transavia. Maar vaste prijsafspraken met de touroperators verhinderen de chartermaatschappijen hun tarieven op korte termijn te verhogen. Alleen bijeen zeer extreme stijging van de brandstofprijs kunnen contracten met touroperators worden opengebroken, aldus Bakker.

Tijdens de energiecrises van 1974 en 1979 moesten passagiers bij het inchecken op de luchthaven een brandstoftoeslag van enkele tientjes betalen. Bakker van Transavia verwacht niet dat de luchtvaartmaatschappijen daartoe over zullen gaan. 'De concurrentie tussen de maatschappijen is daarvoor te groot.'

Offshore voorziet geen duurzaam herstel Noordzee

De Industriele Raad voor de Oceanologie (IRO), de Nederlandse overkoepelende organisatie van offshorebedrijven, gaat er van uit dat de offshore activiteiten op het Nederlandse deel van de Noordzee weer zullen aantrekken als de olieprijzen op het huidige niveau blijven. Maar J. P. H. van Rijn, de kersverse directeur van de IRO, heeft er niet veel vertrouwen in dat de prijzen zich op het huidige hoge niveau zullen stabiliseren. 'De algehele verwachting is dat er te veel ruwe aardolie is en dat als het conflict in de Golf over is, de olieprijzen weer zullen kelderen.' De Nederlandse Aardolie Maatschappij (50 procent Shell, 50 procent Esso), de grootste operator op het Nederlandse deel van de Noordzee, ziet voorlopig geen aanleiding om haar beleid aan te passen. 'We blijven onze investeringsplannen voorlopig baseren op een gemiddelde olieprijs van 16 dollar per vat. We geloven dat het huidige prijspeil van van korte duur zal zijn', vertelt de woordvoerder van de NAM, F Duut.

Toen de olieprijs een aantal jaren geleden dramatisch daalde (van boven de 30 dollar tot beneden de 10 dollar per vat), trok de IRO onmiddellijk aan de alarmbel. De toenmalige directeur van de IRO stuurde een brief naar premier Lubbers met het dringende verzoek de Nederlandse offshore te hulp te komen. De IRO vreesde toen dat de val van de olieprijzen de offshore-industrie kreupel zou maken en dat essentiele kennis verloren zou gaan. Wat er van al deze dramatische verwachtingen is uitgekomen kon IRO-directeur Van Rijn vanochtend niet zeggen.

De NAM is na de val van de olieprijzen inderdaad op een veel lager pitje gaan draaien. Investeerde het bedrijf voordien nog zo'n 1 a 1,5 miljard per jaar in de offshore, sindsdien steekt de NAM jaarlijks nog maar zo'n 500 a 600 miljoen in de offshore.

De daling van de prijzen dwong de NAM het omvangrijke F3-project (een groot winningsproject in blok F3 op de Noordzee) in de ijskast te zetten en maakte een aantal forse bezuinigingsoperaties noodzakelijk. 'We moesten terug naar de tekentafel en werden gedwongen heel creatief en inventief nieuwe platforms te ontwerpen. Het is ons uiteindelijk gelukt besparingen door te voeren van enkele tientallen procenten. Daarom konden we het F3-projekt, zij het in gewijzigde vorm, uiteindelijk weer oppakken', aldus Duut. (Het F3-project werd uiteindelijk opgenomen in het zogenomende Nogat-project.)