Felle kritiek in VS op snelle stijgingen van brandstofprijzen

WASHINGTON, 8 aug. De Amerikaanse automobilisten zijn woedend over de snel stijgende prijzen voor benzine die al voor de Koeweitcrisis was gekocht. In sommige deelstaten is de prijs aan de benzinepomp meer dan twintig dollarcent per Amerikaanse gallon (drie en een halve liter) gestegen. 'De grote oliemaatschappijen gebruiken Saddam Hussein om de zakken van de mensen te rollen', zei de New Yorkse consumentenvoorvechter Mark Green.

Kostte gewone benzine in Washington voor de Koeweit-crisis nog ongeveer 54 cent per liter, nu komt de prijs boven de 65 cent. De Amerikaanse cultuur drijft op dergelijke lage brandstofprijzen en de mensen hebben zich altijd verzet tegen prijsverhoging door belastingen. Tot eind jaren zeventig werden de brandstofprijzen zelfs beheerst. Een zegsman van het Witte Huis drong bij de oliemaatschappijen aan op 'beperking'.

Een woordvoerder van het ministerie van justitie waarschuwde dat het 'krachtige antikartel-vervolging' zou instellen in het geval van onderlinge prijsafspraken. Gisteren werden justitiele autoriteiten en vertegenwoordigers van de olie-industrie door senatoren bij een haastig georganiseerde hoorzitting aan de tand gevoeld. Sommige Congresleden begrepen wel dat een prijsafspraak moeilijk te bewijzen valt en daarom pleitten ze voor het weer instellen van olieprijsbeheersing in dit soort gevallen. President Bush vindt dat er nog geen aanleiding is tot ingrijpen.

President Carter kreeg ook te maken met de Amerikaanse verknochtheid aan een lage olieprijs. Eind jaren zeventig kampte hij met een oliecrisis in het Midden-Oosten. Hij wilde daarom een belasting op brandstof instellen om energiebesparing te bevorderen zodat Amerika minder afhankelijk zou worden van buitenlandse olie. De brandstofprijs zou elk jaar, gedurende vijf jaar, met tien dollarcenten belasting moeten stijgen. Het Congres weigerde het voorstel aan te nemen. De Democratische presidentskandidaat Gary Hart stelde een extra belasting op geimporteerde olie voor. Ook dat idee haalde het niet. President Reagan heeft alle projecten van president Carter op het gebied van energiebesparing en alternatieve bronnen gestopt. Reagan zette wel het dereguleringsprogramma van Carter voort en hij beeindigde de overheidscontrole op de gasprijs. Ook voerde hij onder dwang van het Congres Carters plan uit tot het aanleggen van een strategische oliereserve in de zoutmijnen van de zuidelijke deelstaat Louisiana. Tijdens de economische top van 1978 hadden geindustrialiseerde landen, geconfronteerd met snel stijgende olieprijzen, daartoe besloten. Carter wilde voor Amerika een beginvoorraad van 750 miljard vaten olie, oplopend tot een triljoen. Pas toen de prijs voldoende gezakt was konden de reserves worden gevuld. Nu is er een strategische reserve van 600 miljard vaten olie, genoeg voor zes tot tien maanden olie voor de VS. Congresleden dringen op ontkurking van de oliereserves aan om de prijzen te stabiliseren.

Ook praatten de directeuren van oliemaatschappijen tijdens de hoorzitting in de senaat gisteren over het aanboren van nieuwe of reeds gesloten bronnen die bij een lagere olieprijs niet rendabel waren. Ze wilden ook boren in natuurgebieden en voor de kust van Californie. President Bush heeft dat onlangs om milieuredenen verboden. Amerika kan op de lange termijn profiteren van reserves in Venezuela. De nieuwe economische betrekkingen met Mexico maken het mogelijk dat Amerikaanse oliemaatschappijen daar gaan boren naar ongekende nieuwe reserves.

Charles Schultze, voormalig voorzitter van de Raad van Economische adviseurs van president Carter, heeft ervaring met snel stijgende olieprijzen en hij voorspelt een 'milde recessie'.

Volgens Schultze was de huidige crisis nauwelijks minder geweest met conservering. 'Het had ongeveer 20 procent energiegebruik gescheeld', zegt hij. Veel belangrijker vindt hij de strategische oliereserves. 'In 1979 schoot de prijs omhoog omdat iedereen zich verdrong om voorraden te vormen', zegt Schultze.

Op de lange termijn is er een zeer grote dreiging voor de Westerse economieen, aldus Schultze. De geschiedenis heeft bewezen dat kartels geen lang leven zijn beschoren. Maar als Hussein en niet de markt de hoogte van de olieprijs kan bepalen, dan is er sprake van een noodsituatie. Een olieblokkade door het Westen zal de prijs naar 45 dollar per vat omhoog doen schieten en is noodlottig. Sommige commentatoren spraken al over 'rantsoenering'.

'Als er een aanleiding is om militair in te grijpen dan is het wel deze', aldus Schultze. 'Het gaat erom of we de confrontatie willen aangaan met Saddam Hussein.'