Europa klaar voor Hussein

Hoe gevaarlijk is Saddam Hussein voor de wereldeconomie? Terwijl de situatie in de Golf van uur tot uur verandert en de effectenhandel zenuwachtig reageert op prijsbewegingen van Brent en West Texas, dringt zich de vraag op of de Koeweit-crisis de Westerse economie een gevoelige klap kan toebrengen. Een pessimistisch scenario over het effect van de olieprijsstijgingen leest ongeveer als volgt: Na bijna acht jaar ongekende economische groei zullen stijgingen van de olieprijs de inflatie doen aanwakkeren waarop de financiele markten zulen reageren met renteverhoging, die wederom de inflatie kan aanwakkeren. Die kettingreactie komt op een uiterst ongelukkkig moment: de economie van de Verenigde Staten bevindt zich al aan de vooravond van een recessie en extra inflatie is het laatste duwtje dat de Verenigde Staten definitief in problemen brengt. Europa's sterkste economie West-Duitsland kampt met tegenvallende kosten van de Duitse eenwording en de tweede economische supermacht, Japan, komt onder druk omdat het land voor 99 procent van haar energiebehoefte afhankelijk is van geimporteerde ruwe olie. Met de Verenigde Staten in een recessie en een minder voortvarende Japanse economie zal de economie in Europa snel vaart verliezen en uiteindelijk zal de groei tot staan worden gebracht. Inflatie en geen groei vormen dan samen stagflatie.

Optimisten vinden het of te vroeg om de noodklok te luiden of denken dat het zo'n vaart niet zal lopen.

De olieprijs is in de afgelopen dagen weliswaar met 40 procent gestegen tot rond 28 dollar, het is nog niet gezegd dat een vat olie binnenkort 40 dollar zal kosten. Het adviesbureau Cambridge Energy Research Associates (CERA) in Parijs houdt het voorlopig nog op een piekprijs van 33 dollar militaire ingrepen voorbehouden.

De prijsstijging van nu is niet te vergelijken met de sprongen in de prijs die ten grondslag lagen aan de crisis van 1973. Toen dreigde er een acuut tekort aan olie omdat Nederland en de Verenigde Staten hun steun aan Israel moesten bekopen met een olieboycot. De prijs schoot toen van 3 dollar naar 12 dollar per vat. Nu is er genoeg olie en hebben Saoedi Arabie en Iran al aangekondigd hun produktie te verhogen om tekorten op te vangen.

De vergelijking met de oliecrises van 1973 en 1979 levert nog meer geruststellende gegevens op. In 1980 nam olie vijf procent van de totale consumptie voor zijn rekening, nu is dat volgens de OESO in Westerse industrielanden teruggelopen tot 1,5 procent.

Het inflatoire effect van olieprijsstijgingen zal tegenwoordig dan ook niet zo omvangrijk meer zijn. De OESO becijferde onlangs dat een verdubbeling van de olieprijs van 17 dollar naar 35 dollar per vat zal leiden tot een verhoging van de inflatie met drie procentpunten. De OESO verwacht van die stijging geen desastreuse gevolgen. Haar optimisme is mede gebaseerd op de overtuiging dat centrale banken niet dezelfde fout zullen maken als in het begin van de jaren '80, toen het fors trappen op de monetaire rem bijdroeg aan de verdieping van de economische crisis.

Het crisis-scenario is voorlopig overdreven negatief. Europa is beter dan ooit toegerust om de gevolgen van de Koeweitcrisis op te vangen. En zeker beter dan de VS en Japan. Economen in Parijs en Den Haag wijzen erop dat het Europese bedrijfsleven kerngezond is en dat de staatsfinancien in veel landen zijn gesaneerd (behalve in Nederland, Italie en Griekenland)Bovendien profiteren Europese landen nu van een toegenomen energiebewustheid en investeringen in eigen energiebronnen. Frankrijk gebruikt veel kernenergie, Denemarken is op oliegebied zelfvoorzienend, Noorwegen en Groot Brittanie exporteren Noordzee-olie.

Nederland heeft aardgas en profiteert van olieprijsstijgingen door toenemende aardgasopbrengsten. De schatkist krijgt 500 miljoen gulden extra voor iedere dollar die de olieprijs stijgt. In de Verenigde Staten daarentegen, die ongeveer 50 procent van hun olie importeren, groeit het tekort op de handelsbalans met drie miljard dollar voor iedere dollar olieprijsstijging. Economische moeilijkheden zullen eerder worden geimporteerd uit de Verenigde Staten dan een direct gevolg zijn van de olieprijsstijgingen. Als de Verenigde Staten daadwerkelijk in een recessie belanden, zal de export van Europa daar onmiddellijk onder te lijden hebben. De export had al last van de zwakke dollar, die Europese produkten in de Verenigde Staten minder aantrekkelijk maken.

Tegen die achtergrond wordt het ook van belang welk effect de Duitse eenwording en de omwenteling in het Oostblok op de Europese economie zal hebben. Nu de economie van West-Duitsland, die al lang op topcapaciteit draait, zich in toenemende mate richt op de DDR, ontstaat er exportruimte voor bedrijven uit andere Europese landen.

Probleem is wel dat ook de Duitslanden en de kwetsbare economieen in Centraal Europa onder de invloedssfeer van Bagdad vallen. De Sovjet-Unie was er al toe over gegaan de voormalige sattellietstaten dollars te vragen voor olieleveranties; leuk voor Moskou maar nu extra pijnlijk voor de energievretende economieen in Midden-Europa.

De kosten van de Duitse eenwording zullen waarschijnlijk nog hoger worden dan de tegenvallende cijfers van de afgelopen weken deden vrezen. Bij een olieprijs van 25 dollar zal het Duitse begrotingstekort met 10 tot 15 miljard toenemen tot 120 miljard D-mark. De economische groei in het nieuwe Duitsland zal een half procentpunt lager uitvallen, maar dan nog steeds ruim 3 procent bedragen in 1991.