Artistieke onmacht tussen zandhopen en kranen van Temse

Jan Hoet, de directeur van het Museum van Hedendaagse Kunst in Gent en organisator van de komende Documenta, heeft zijn 'laatste grote tentoonstelling voor Kassel 1992' gemaakt in Temse, een havenstadje aan de Schelde, twintig kilometer stroomopwaarts van Antwerpen. Tweeendertig beeldende kunstenaars uit Europa en Amerika maakten in en rond Temse op uitnodiging van Hoet ter plekke een kunstwerk. Het concept doet denken aan de eveneens door hem georganiseerde 'Chambres d'Amis' in Gent van enkele jaren geleden, met dit verschil dat in Gent de huizen van verzamelaars van hedendaagse kunst in het middelpunt stonden en hier de aandacht is gevestigd op het stadje.

Door JANNEKE WESSELING

Eigenlijk is Temse te klein voor de benaming 'stad'. Het vormt met enkele naburige steenbakkersdorpen een gemeente van in totaal ongeveer 24.000 inwoners. Temse ligt waar de rivieren Schelde en Durme samenvloeien. Een ijzeren brug van 373 meter lengte, op zes bogen, verbindt de oevers. De brug is in 1870 gebouwd om de spoorwegverbinding tussen Mechelen en Terneuzen mogelijk te maken. De plaatsnaam Temse is van Gallo-Romeinse oorsprong. In de achtste eeuw stichtte de heilige Amelberga er de Onze Lieve Vrouwekerk. Eeuwenlang was het een centrum van landbouw en visserij, en van wevers en mandenmakers, maar zijn hoogtepunt beleefde Temse in de tweede helft van de negentiende eeuw. In 1829 bouwde Bernard Boel er een grote scheepswerf, die ook nu nog een oppervlakte beslaat van 85 hectare. Er vestigden zich in Temse tal van textielbedrijven, vooral voor de verwerking van jute en zeildoek. Met de textielindustrie ging het vanaf de Eerste Wereldoorlog snel bergafwaarts, totdat in de jaren zestig de totale ineenstorting volgde. En als gevolg van de internationale crisis in de scheepsbouw moest De Boelwerf in 1986 tot de helft inkrimpen (de werf telt nu nog 1800 werknemers). Het Temse van nu is een fascinerende mengeling van overblijfselen uit verschillende perioden en industriele bedrijvigheid. De O. L.-Vrouwekerk, met haar deels gotische, deels neo-gotische uiterlijk en haar barokke toren, rijst, bezien vanaf de brug, boven het stadssilhouet uit. De kerk valt echter geheel in het niet bij het reusachtige vrachtschip dat op de werf in aanbouw is. De gasten van het oude hotel Bellevue aan de Wilfordkaai wordt het zicht op de Schelde benomen door de hijskranen van een overslagbedrijf van zand en cement. De zandhopen liggen tot op de stoep van het hotel en vrachtwagens rijden af en aan. Bellevue was generaties lang een gerenommeerd hotel, maar sinds de vestiging van het overslagbedrijf, aan aantal jaren geleden, loopt de klandizie sterk terug. Klagen bij het college van burgemeester en schepenen mag niet baten, want de oprichter van het bedrijf is de burgemeester zelf.

Aan de Wilfordkaai zo genoemd naar de Engelsman William Wilford die er in 1830 de eerste zeildoekfabriek van Belgie bouwde ligt ook de achttiende-eeuwse watermolen die als vertrekpunt dient voor de kunstroute van Hoet. Hier kan men zich toegangsbiljetten en een routebeschrijving verschaffen en ook de eerste kunstwerken bekijken. Op de stoffige zolder deponeerde de Cubaan Ricardo Brey (de enige Zuid-Amerikaan) in de hoek een hoop stro en verder schedels van vogels of de hoop vuilnis in de andere hoek ook door hem daar is neergelegd, valt moeilijk te zeggen. Op de muur bracht hij een soort explosie van verf aan. In de ruimte ernaast bevinden zich een houten ladder met slagersmessen, en plastic handschoenen gevuld met waspoeder of iets dergelijks. Deze 'installatie' van Brey, die iets te maken zal hebben met primitieve instincten en natuurgodsdiensten, stemt niet erg hoopvol voor de erst van de expositie. In een bijgebouw construeerde de Fransman Patrick Lebret een soort 'pre-christelijk' altaar, versierd met roze bloemetjesbehang, met daarop een stierekop. Een bandrecorder laat een oer-geloei horen. Het is het type kunst dat je zou associeren met de Weense Aktionisten.

Het niveau van de rest van de tentoonstelling is niet veel beter. Het is alsof de exposanten, op een enkele uitzondering na, zich geen raad wisten met hun opdracht. Wat moeten de bielzen van Bernd Lohaus nu toevoegen aan die fraaie kleine helling met afscheiding, waarachter de rivier met groene oevers zich in al zijn pracht ontvouwt? Ernaast bevinden zich de oude 'molens van Temse', een gemaal uit 1912 dat is gehuisvest in een monumentaal pakhuis-achtig pand van rode baksteen. Op de gevel aan de kade bracht Mario Merz in rood neon de tekst aan: 'Wij kijken door de vensters. U kijkt door de vensters. U kijkt door de vensters naar ons die u bekijken'.

Dat de vensters voor een groot deel zijn dichtgebouwd of uit matglas bestaan maakt niet uit; met helder glas zou de tekst van Merz even zeurderig zijn. De ingreep van Ettore Spalletti hier tegenover geeft weer even moed. Hij veranderde een kleine vergeten hoek tussen schuttingen in een middeleeuwse hortus conclusus met een sobere, maar geraffineerde beplanting van gele toortsen, witte margrieten en kleine blauwe bloemetjes. In het midden plaatste hij een van zijn exquise marmeren fonteintjes, wit dit keer, omzoomd door witte kiezelsteentjes. In de kerk, waar onder meer rococo beeldhouw- en zilverwerk is te zien van de bekende Adriaan (vader) en Philip (zoon) Nijs, heeft Marc Maet een groot wit, mystiekerig schilderij opgehangen dat het zicht op het altaar geheel belemmert, een daad die van weinig begrip of respect getuigt voor het interieur en het godsdienstig karakter daarvan.

Vlak buiten het centrum, ongeveer tien minuten lopen men passeert hierbij een park met oude hoge bomen waar David Hammons een stuk of vijftien pisbakken aan ophing, Duchamps pisbak mag op geen enkele tentoonstelling van enige omvang ontbreken ligt een achttiende-eeuws boerderijtje met een ruime schuur en binnenhof waar kippen morrend rondscharrelen. Gilberto Zorio plaatste in de hof een stervormige evenwichts-constructie. In de warme middagzon ziet het er vredig uit, ongeveer als een landbouwmachine die daar even is neergezet. Toch is dit niet juist: er hoort een geluid bij dat zoveel overlast bezorgt dat besloten is om het permanent af te zetten. Ik heb het gedurende enkele seconden mogen beluisteren: het is een snerpend alarmsignaal dat tot in de verre omtrek door merg en been gaat. De Zorio die men te zien krijgt is niet het kunstwerk zoals de kunstenaar het heeft bedoeld.

Het heeft weinig zin om alle uitingen van artistieke onmacht verder op te sommen. De onverschilligheid en liefdeloosheid waarmee Hoet hier is omgesprongen met de kunst en de kunstenaars, maar dat is aan hen zelf te wijten doet het ergste vrezen voor de Documenta. In zijn voorwoord schrijft hij: 'Kunst kan niet gejustificeerd worden. Ze is. Ze bestaat in de fascinatie' een mystificerende manier van spreken die iedere kritiek verder uitsluit. Ook schrijft hij dat kunst 'een concreet gegeven is met eigen wetten'.

Daaruit volgt, lijkt mij, dat kunstwerken getoond moeten worden in een daartoe geeigende context en niet, zoals hier, willekeurig verspreid over een stad.

Als dit een voorbode is van de Documenta dan zit er overigens voor ons land weinig perspectief in. Hoet koos slechts twee Nederlanders uit, Edwin Janssen met zijn pop art-achtige sjabloon-schilderijen en Willem Buijs. Van Buijs zijn mooie foto's te zien, die (bij wijze van uitzondering) op een overwogen manier zijn geexposeerd.

Maar waarom klagen? Dankzij Hoet heb ik Temse leren kennen waar zoveel boeiends is te zien: het voormalig huis en atelier van de neoclassisistische beeldhouwer Karel Aubroeck (1894-1986), het 'Heraldiek-museum' dat enig is in zijn soort, de Akademie die ooit werd opgericht door Philip Nijs, de kade die al zo dikwijls is overstroomd door de Schelde... In cafe 'de Postduif' aan het Marktplein worden in grote platte houten kisten de postduiven, eigendom van de plaatselijke postduiven-vereniging, in een vrachtauto geladen. Ze gaan naar Grimbergen, 105 kilometer verderop, een peuleschil, volgens de cafebaas. Verder is het doodstil op het plein rond de kerk. De hoge kranen van de scheepswerven zijn boven de huizen zichtbaar, de wind draagt bij vlagen het metalige geluid van het timmeren aan, overal ruik je de rivier. Ik neem me voor nog eens terug te komen.