Suriname heeft het hoogste onderwijsbudget ter wereld; 'Waarom moeten alle kinderen 2/5 en 1/7 bij elkaar kunnen optellen?'

Op sommige scholen in Paramaribo stroomt het na een tropische regenbui overvloedige regenwater door het dak de klaslokalen binnen. De onderwijsvoorzieningen in Suriname zijn door gebrek aan deviezen sterk verwaarloosd. Zelfs aan eenvoudige leermiddelen als schriften en pennen is een schrijnend gebrek.

Minister Pronk (ontwikkelingssamenwerking) had al voor zijn recente bezoek aan Paramaribo 135 miljoen gulden uitgetrokken om achterstanden weg te werken. Voor de hulp aan de onderwijssector geldt niet de voorwaarde dat Suriname eerst een economisch saneringsplan in gang zet, zoals is bedongen voor hulp aan direct produktieve sectoren. Uitvoering van de onderwijsprojecten kan onmiddellijk van start gaan. De miljoenen zijn uitgetrokken voor onder andere herstel van gebouwen, aanschaf van technische apparatuur, aankoop van leermiddelen, aanvulling van de collecties van bibliotheken, her- en bijscholing van leerkrachten, leerlingstelsels in het bedrijfsleven en de verstrekking van studiebeurzen aan Surinaamse studenten in MBO, HBO en universiteit die in het buitenland verder willen studeren. Het geld zal hard nodig blijken.

Het onderwijs in Suriname kent door de etnische verscheidenheid toch al zijn problemen. ' De taal is een nationaal vraagstuk, vooral in het lager onderwijs', zegt W. F. Bueno de Mesquita, hoogste beleidsmedewerker van minister drs. R. Venetiaan. Hij was de directe gesprekspartner van de Nederlandse commissie onder leiding van prof. dr. J. A. van Kemenade, die Suriname twee keer bezocht om onderwijsprojecten te kiezen die voor ontwikkelingshulp in aanmerking komen.

Voor geen van de grootste drie bevolkingsgroepen is Nederlands de moedertaal. Veel creoolse kinderen groeien op met het sranan tongo; en degenen onder hen die Nederlandstalig worden opgevoed, krijgen culturele kennis toch vaak in het sranan overgedragen. Hindoestanen, zeker die op het platteland, gebruiken nog dikwijls het sarnami. Javanen plegen thuis javaans te spreken. Hindoestaanse en javaanse kinderen komen bovendien al vroeg in aanraking met het sranan tongo, dat in Suriname als een (door ieder begrepen) lingua franca geldt. Dit betekent dat het Nederlands voor hen zelfs de derde taal is.

Zittenblijvers

De taalproblemen vinden hun weerslag in het percentage zittenblijvers, dat zowel in het lager als het voortgezet onderwijs opvallend hoog ligt. Volgens een onderzoek van het Ministerie van onderwijs en volksontwikkeling (Minov) beloopt het percentage zittenblijvers in het lager onderwijs gemiddeld 24 procent. In het lager beroepsonderwijs liggen de percentages op 20 tot 40 procent.

Op de (in Suriname nooit opgeheven) MULO-scholen blijft 25 en 34 van de leerlingen zitten. In de eerste leerjaren van de HAVO bedraagt het percentage zittenblijvers 36 tot 40 proccent. In het VWO komen percentages voor van ruim 20 tot 30 procent. Ter vergelijking: in Nederland is het percentage zittenblijvers nog niet de helft van dat in het voormalige rijksdeel.

In Suriname is toch nooit overwogen in andere talen dan het Nederlands te onderwijzen. Bueno de Mesquita: ' Het is historisch zo gegroeid. We hebben geen keuze. Nederland is er nooit in geslaagd het Nederlands zover te laten doordringen dat iedere Surinamer de taal volledig beheerst. Met die erfenis zitten we. Daar komt natuurlijk bij dat het Nederlands een gemeenschappelijk cultuurelement van alle bevolkingsgroepen is.'

Schoolsysteem

Niet alleen de taal speelt een rol in de slechte schoolresultaten. ' We hebben van Nederland een schoolsysteem geerfd waarin de leerstof centraal staat', zegt Bueno de Mesquita. ' Vooral in het lager onderwijs en het lager beroepsonderwijs willen we de leerling meer centraal stellen. Al moet natuurlijk een selectief niveau worden gehandhaafd'. De UNESCO concludeerde reeds in 1978, dat Suriname het onderwijs meer op de behoeften en mogelijkheden van de leerling moest afstemmen. ' Ook als op beleidsniveau daarover besluiten zijn genomen, blijkt de uitvoering toch altijd weer trager te verlopen dan je wilt', aldus de adviseur van minister Venetiaan. Op het Minov wordt nu gewerkt aan een 'kernleerplan' voor het lager onderwijs, waarin een aantal basiselementen zitten. Bueno de Mesquita: ' Waarom moeten alle leerlingen 2/5 en 1/7 bij elkaar kunnen optellen? Die kennis is wel een verrijking, maar niet strikt nodig.' Een koloniale erfenis die ook nog niet is opgeruimd, is de sterke orientatie van het Surinaamse onderwijs op algemene vorming. Ook in Suriname overheerst de 'witte boorden' mentaliteit. Volgens de commissie-Van Kemenade leidt dit tot een belangrijke beperking van de produktiecapiteit van de Surinaamse economie. Het Minov geeft daarom prioriteit aan de stimulering van het lager beroepsonderwijs (huishoud- en lagere technische scholen). Bueno de Mesquita: ' We zullen in het lager onderwijs al technische elementen in het curriculum opnemen. In het lager beroepsonderwijs worden de mogelijkheden verruimd. We denken aan een landbouwkundige richting.' Suriname kent helemaal geen lagere beroepsopleiding in de landbouw, ondanks dat een belangrijk deel van de beroepsbevolking in de agrarische sector werkt. De commissie-Van Kemenade suggereert de uitgifte van gronden te koppelen aan de voorwaarde dat degene die een perceel krijgt toegewezen, landbouwonderwijs heeft genoten.

Volgens Bueno de Mesquita moet ook aan de onoverzichtelijkheid van het lager beroepsonderwijs een eind worden gemaakt. Nu kent het LBO niet minder dan zeven schooltypen. Daaronder zijn scholen waar oudere leerlingen met slechts vier jaar lager onderwijs worden toegelaten. Er is ook nog een schooltype, dat ooit werd opgericht om leerlingen op te nemen die met de politie in aanraking waren geweest. De commissie-Van Kemenade pleit ervoor de verschillende scholen in het lager beroepsonderwijs onder een paraplu te brengen om een vroegtijdige ' negatieve uitsortering' van de leerlingen te voorkomen.

Bueno de Mesquita: ' We willen naar een vorm van LBO met drie niveaus. Dat zal de status bevorderen, want nu begrijpt niemand meer wat voor scholen er precies zijn.' In het voortgezet onderwijs kent Suriname nog altijd de MULO (A en B), waarvan het niveau hoger ligt dan dat van de Nederlandse MAVO. Daarnaast is er de HAVO en VWO. De HAVO kent een opleiding van slechts twee jaar en het VWO van drie jaar. Degenen die toch een volledig VWO willen volgen, kunnen het particuliere Vrije Athenaeum bezoeken a raison van Sfl.150 per maand. In Suriname wordt traditioneel eerst de MULO wordt gevolgd, waarna men via een toelatingsexamen toegang krijgt tot de vervolgopleiding. Aan dit systeem zal volgens Bueno de Mesquita zeker niet worden getornd. ' Vlak voor de invoering van de mammoetwet hebben we hier een Lyceum opgericht, maar dat is weer opgeheven. Goede leerlingen, die toch de intellectuelen van de toekomst zijn, komen nauwelijks in contact met de rest van de samenleving wanneer ze meteen naar een Lyceum gaan. Een andere reden van de opheffing was dat ook voor de lagere klassen een grote groep hoog opgeleide leerkrachten nodig is. En die hebben we eenvoudigweg niet.' Een tekort aan vakbekwame leerkrachten heeft Suriname altijd al parten gespeeld. Om het probleem op te vangen waren er vroeger zelfs hulponderwijzers en onderwijzers met boslandacte, die nauwelijks meer dan lagere school hadden genoten.

Solidariteit

De belangrijkste doelstelling voor het Surinaamse onderwijs is volgens Bueno de Mesquita dat de leerlingen uit de verschillende bevolkingsgroepen solidariteit wordt bijgebracht. Onderwijs in elkaars cultuur hoort daar ook bij. ' Men beseft in Suriname nog onvoldoende dat onze samenleving op deze Surinaamse bodem haar plaats heeft.' De surinamisering van het evenals in Nederland sterk verzuilde onderwijs is reeds in de jaren vijftig ingezet; vooral na de totstandkoming van het Koninkrijksstatuut. De Rijn komt voor Surinamers dus al lang niet meer ' bij Lobith ons land binnen'. En de vaderlandse geschiedenis gaat niet over Willem van Oranje, maar over leiders van de slavenopstanden zoals Boni en Joli Coeur; leesboekjes en boeken over geschiedenis, aardrijkskunde en biologie zijn vervangen. Toch hebben heel wat leerlingen nog tot ver in de jaren zestig de op Nederland gerichte leerstof voorgeschoteld gekregen, omdat hun onderwijzers niet met de tijd meegingen.

De surinamisering van het onderwijs kwam in de jaren zeventig in een stroomversnelling; vooral na de verkiezingsoverwinning van de Nationale Partij Kombinatie (NPK), waarin creoolse nationalisten een belangrijke rol speelden. Venetiaan was ook toen al bewindsman op onderwijs. Het onderwijsbeleid na de militaire coup van 1980 bouwde voornamelijk voort op plannen die in de periode ervoor reeds op papier waren gezet. Alleen in de groots opgezette alfabetiseringscampagne voor volwassenen was sprake van 'revolutionaire' indoctrinatie. ' Het leger is je beste vriend', leerden de analfabeten uit hun lesboek. De campagne werd een mislukking door gebrek aan mankracht en middelen, maar inmiddels is een commissie ingesteld om een nieuwe alfabetiseringscampagne voor te bereiden. Op de universiteit na bleef de rest van het onderwijs voor revolutionaire invloeden gespaard, wat eens te meer duidelijk maakt dat de Surinaamse 'revolutie' geen echte omwenteling was.

Aan de top

Het onderwijs heeft in Suriname hoge prioriteit. Het land heeft een jonge bevolking en het aantal personen dat volledig onderwijs volgt ligt dan ook hoog: 120.000 leerlingen en studenten; dat is 30 procent van de totale bevolking. Ter vergelijking: in Nederland ligt het aantal leerlingen en studenten van basisschool tot en met universiteit net boven de drie miljoen, iets meer dan 20 procent van de bevolking.

Het onderwijsbudget in Suriname maakt niet minder dan 27 procent uit van de totale overheidsbegroting. Het land staat daarmee aan de top in de wereld. Bueno de Mesquita: ' In de Surinaamse samenleving wordt onderwijs zeer hoog gewaardeerd. Dat is altijd zo geweest. Ook al wordt je nooit echt rijk met een hoge opleiding, want daarvoor moet je in dit land in de handel gaan.'