Minister billijkt prijs

Minister Andriessen (economische zaken) grijpt niet in bij de verhoging van brandstofprijzen door de oliemaatschappijen. Hij acht de prijsverhogingen tot nu toe, waarbij de maatschappijen op enige afstand de wereldmarktprijs voor olieprodukten volgen, 'niet onredelijk'. De minister zei dit gisteren na afloop van zijn overleg met de oliemaatschappijen over de boycot tegen Irak. Hij zal de leden van de Tweede Kamer die hem schriftelijke vragen hebben gesteld over de benzineprijsverhogingen, laten weten dat er geen sprake is van misbruik door de oliemaatschappijen. Andriessen heeft overigens alleen in een 'uitzonderlijke noodsituatie' zoals hij het zelf noemde, een machtsmiddel om tegen de maatschappijen op te treden op grond van een Noodprijzenwet.

Het systeem van 'verantwoorde vervangingswaarde' van olieprodukten dat de maatschappijen bij hun prijsbeleid hanteren (vervanging van dat deel van de voorraad dat wordt verkocht) resulteert doorgaans in een verhoging met ongeveer een cent per liter brandstof aan de benzinepomp voor elke dollar waarmee de prijs voor ruwe olie op de wereldmarkt per vat van 159 liter verandert. De olieprijs was op 1 juli nog 16 dollar per vat en gisteren moest op de termijnmarkt al meer dan 24 dollar betaald worden. In die zes weken is de prijs voor een liter brandstof met iets meer dan de corresponderde acht cent, namelijk met een dubbeltje gestegen.