Krenten uit Lubbers' pap

Minister-president Lubbers heeft, op verzoek van deze krant, een opstel geschreven, dat op 2 augustus op deze pagina stond. Of hij daarmee de eerste prijs zou hebben behaald op de school die hij bezocht een door Jezuieten geleide school, die bekend stond om de hoge eisen die zij aan de leerlingen stelde is de vraag. Strikte discipline is niet het meest in het oog lopende kenmerk van dat opstel.

De ambassades in Den Haag zullen, als ze er niet een volledige vertaling van willen maken (wat op zichzelf al moeilijk genoeg zou zijn, want de taal is ook niet overal even gedisciplineerd), er moeite mee hebben hun respectieve ministers te rapporteren wat de essentie ervan is. Zij zullen er dan ook wel mee volstaan enkele krenten uit de pap te halen.

Laten wij dat hier ook doen (het betreurend dat de samenhang tussen die krenten die in Lubbers' opstel in de vorm van 'opmerkingen', 'kanttekeningen', 'perspectieven' en 'dimensies' optreden niet altijd duidelijk is). Die krenten zijn, stuk voor stuk, interessant genoeg. Iedereen is vrij daaruit een filosofie te destilleren en die aan Lubbers toe te schrijven.

Eerste krent: schrijvend over het akkoord van Schengen en het Europese asielverdrag, zegt Lubbers dat wij daarmee 'in ons Europa aan een nieuwe grens zijn gekomen. Die nieuwe grens wordt gevormd door de veelvormigheid en door de accentverschillen in het rechtsstatelijk denken van de diverse landen'. Dat is een heel belangrijke opmerking. Er zijn dus, volgens de minister-president, grenzen aan de bereidheid van de Europese lidstaten van de Gemeenschap dus ook van Nederland! eigen opvattingen of beginselen te offeren op het altaar van de Europese eenheid. Voor sommigen is dit een waarheid als een koe, maar dan wel een waarheid die zelden uitgesproken wordt. Het is goed dat Lubbers dit nu wel gedaan heeft.

Overigens worden die grenzen niet uitsluitend bepaald door onze (en anderer) opvattingen over de rechtsstaat: '... .naarmate de integratie voortschrijdt zullen de landen en regio's terecht ook waken over de eigen identiteit en eigen domein.'

In beginsel kan dus alles een reden zijn om dwars te liggen of ons soevereine neen uit te spreken.

Tweede krent: Lubbers vraagt zich af of de lidstaten van de Europese Gemeenschap wel toe zijn aan de monetaire unie. Zou die unie niet 'te veel extra middelen' gaan vergen ten bate van 'de minder welvarende EG-landen'? Zou zij de cohesie van de Gemeenschap niet onder te zware druk zetten? Het zou hem niet verbazen als hierin 'de echte angel' zou blijken te zitten.

Ook hier is het goed dat Lubbers zijn voorbehoud openlijk uitspreekt, in plaats van mee te doen aan een algemene euforie. Jammer evenwel dat hij het belang van de communautaire cohesie dus van hulp aan de Zuideuropese landen niet afweegt tegen dat van hulp aan Oost-Europa. Het ontbreken van een samenhang in zijn opstel is dus niet uitsluitend een kwestie van vorm, maar ook van inhoud.

Derde krent: Lubbers is niet gelukkig over de Franse politiek. Ook dat is misschien niet verrassend, maar zijn openhartigheid is het wel. Europa zal beter slagen 'als Parijs voor Europa kiest in plaats van voor alleen een as Parijs-Bonn' en 'als Parijs de pretentie opgeeft de hoofdstad van Europa te willen zijn, met overal een Franse regie'.

Lubbers is, naar eigen zeggen, francofiel. Dat belet hem zomin als indertijd de eveneens francofiele Luns zich tegen Parijs te verzetten. Minder begrijpelijk is de conclusie die Lubbers uit de laatste topconferentie van de NAVO trekt, namelijk dat, met de eliminatie van de nucleaire artillerie, in feite 'een zeer forse stap in de richting van het Franse denken over kernwapens' is gezet. Maar Frankrijk houdt juist vast aan zijn nucleaire artillerie (waarmee het alleen het grondgebied van zijn buren en bondgenoten kan bereiken)! Dat president Mitterrand zich zo distantieerde van de 'nieuwe strategie' van de NAVO, was dus niet zo 'merkwaardig' als Lubbers meent.

Vierde krent: volgens Lubbers 'verschuift, met de eenwording van Duitsland, het epicentrum van Europa oostwaarts'.

Dat is juist, maar wat betekent die oostwaartse verschuiving dus van Nederland weg! voor ons land? Hier vervalt de minister-president in de rol van toeschouwer die zwijgt. Een beetje hardop denken zou hier, meer dan waar ook, op zijn plaats zijn geweest. Zo zijn er nog wel meer kanttekeningen naast Lubbers' verzameling van kanttekeningen te maken. Nog eentje: hij verwijst naar de 'accentverschillen' die vorig jaar tussen Kohl en Genscher hebben bestaan. Ook dat is van een ondiplomatieke openhartigheid. Nu maar hopen dat er tussen Lubbers en zijn minister van buitenlandse zaken geen sprake is van accentverschillen en dat minister Van den Broek Lubbers' opstel van harte zal kunnen onderschrijven, beter nog: voor publikatie heeft onderschreven.