Koeweit-crisis met normaal economisch beleid op te vangen; Financiele markten niet in paniek

ROTTERDAM, 7 aug. Wanneer een klein deel van de 1 miljoen soldaten en 5000 tanks waarover Irak al tien jaar lang beschikt een stukje wordt verschoven over het hete zand aan de kop van de Golf, hoeft dat de financiele markten nog niet in paniek te brengen. Tot dusverre is dat ook niet echt gebeurd. De beurzen gaan wel omlaag. Niet zoals bij de krach's van '87 en '89 door paniekverkopen, maar meer door gebrek aan animo aan de koperszijde. De omzetten op de beurzen zijn anders dan tijdens een krach niet ongekend hoog.

De goudprijs de beste maatstaf voor paniekgevoelens is iets gestegen, maar niet al te sterk. De dollar in het verleden ook vluchthaven in tijden van spanning in het Midden-Oosten is zelfs op een nieuw dieptepunt beland.

Voor de financiele markten heeft de inval van Irak in Koeweit eigenlijk maar een nieuw probleem opgeleverd: De zichzelf bevestigende verwachting dat de olieprijs zal stijgen. Maar die verwachting was er toch al nadat Irak en Iran het in de aanloop tot de jongste Opec-vergadering eens waren geworden en Saddam Hoessein met eerst alleen dreigende woorden had bereikt wat de daartoe door de Opec ingehuurde accountants van Klijnveld niet was gelukt: het ervoor zorgen dat de lidstaten van de Opec zich aan de afgesproken produktiequota houden. Het enige verschil met de toestand een week geleden is dat Irak nu de militaire controle heeft over de olievelden van Koeweit.

Maar wie zijn soldaten op een olieveld heeft staan, is in financiele zin nog maar half op weg. Om de olie uit de grond te halen en naar de markten te brengen is ook Saddam Hoessein aangewezen op de grote oliemaatschappijen en heeft hij pijpleidingen en havens nodig die geblokkeerd kunnen worden.

Het is een oud gegeven wijlen de sjah van Iran legde er vaak de nadruk op dat de opbrengsten van de oliewinning voor een te verwaarlozen deel bij de producerende landen terecht komen. Van prijs van een liter benzine aan de pomp gaat meer dan de helft via accijnzen en andere belasting naar de Nederlandse overheid.

Voor de financiele markten is de verovering van Koeweit een olieveld met tot vorige week een emir erop geen onoverkomelijk probleem. Het tast slechts het oude verdeel- en heers principe aan. De Britten dekoloniseerden in de jaren '50 en '60 hun olierijke gebieden in het Midden-Oosten expres zo dat de lokale potentaten niet al te sterk werden.

Nu die politiek niet meer volledig werkt kan dat bijdragen aan een herstel van de olieprijzen, de de afgelopen jaren ondanks de sterke economische groei in reele termen fors zijn gedaald.

Vooral over de indirecte gevolgen van die duurdere olie, maakt de markt zich zorgen. Prijsstijging van deze belangrijkste grondstof vertaalt zich in een stijging van het algemene prijspeil en de Westerse wereld verkeert toch al net in een fase waarin de inflatie aantrekt en de economische groei afzwakt. Vooral in Japan heeft het voortdurende overschot op de handelsbalans geleid tot een groei van de geldhoeveelheid die zich behalve in stijgende aandelenkoersen vooral vertaalde in stijging van de waarde van onroerend goed, die weer de woonlasten voor de gemiddelde burger opdrijft. Duitsland, de economische motor van Europa, heeft voor de eenwording miljarden uitgetrokken, maar zal na de verkiezingen nog veel meer marken in omloop moeten brengen om al zijn burgers van de geneugten van de consumptiemaatschappij te voorzien. In de Verenigde Staten heeft president Bush net 100 miljard dollar gevraagd om het spaarbankenprobleem op te lossen en gezien de bestaande Amerikaanse tekorten is het maar de vraag of dat bedrag inflatie-neutraal kan worden gevonden.

Op het inflatiefront staat de Westerse wereld dus niet optimaal sterk tegenover de verstoring in het Midden-Oosten, maar anderzijds zijn er traditionele methoden om die inflatiedreiging aan te pakken. De Europese en Japanse centrale banken doen dat door de rente hoog te houden. De Amerikaanse Federal Reserve Board moet voorzichtig laveren en de rente zo laag zien te houden dat de economie niet in een recessie raakt, maar anderzijds hoog genoeg om dollars uit het buitenland aan te blijven trekken om de handelstekorten te financieren. Dat lukt al jaren.

Op het oliefront staat het Westen heel sterk. De officiele voorraden zijn groot genoeg om het wegvallen van Iraakse en Koeweitse leverancies twee jaar lang op te vangen. Aangenomen dat de handel in staat is de oliestromen zonder problemen om te leggen.

Geen wonder dat het Westen liever economische wapens dan militairen inzet om de politieke status quo in het Midden-Oosten te herstellen. Fundamenteel is er immers niet veel veranderd in de wereldeconomie.

Het grootste directe risico schuilt in de infrastructuur van de financiele wereld. Kan die schokken opvangen? De financiele positie van veel Amerikaanse banken is niet al te sterk. Al mag worden aangenomen dat juist die grote banken nu veel deposito's ontvangen die eerder uitstonden bij instellingen van minder naam en faam in het Miden-Oosten.

De aandelenmarkten zijn fragiel. De liquiditeit op de beurs van Wall Street is kleiner geworden doordat de hoeklieden nauwelijks meer geld verdienden aan het innemen van posities. Dat maakt de beurs kwetsbaar. In Japan is veel krediet verstrekt op basis van hoge aandelenkoersen en een voortgaande daling van het Nikkei-gemiddelde zou via die hefboomwerking tot een versterkt aanbod van aandelen kunnen leiden. Dat maakt de beurs van Tokio kwetsbaar.

Dit zijn zwakke plekken in een infrastructuur die anderzijds zijn kracht heeft bewezen door krach's, schuldencrises en spaarbankschandalen te doorstaan en door de afgelopen dagen niet in paniek te raken. Die zwakke plekken zijn niet nieuw en zijn niet ontstaan door de inval in Koeweit. Met normaal beleid van de toezichthouders moet ook een Iraakse bezetting van Koeweit opgevangen kunnen worden.