James Gallagher over onderwijs aan gehandicapte en hoogbegaafde kinderen; 'Bij hoogbegaafden is de reactie altijd: die zijn al bevoordeeld genoeg'

James Gallagher (64) maakte naam door het baanbrekend werk dat hij in de Verenigde Staten verrichtte in het onderwijs voor gehandicapte kinderen. De programma's die hij ontwikkelde, bestrijken het hele veld van moeilijk lerend tot autistisch en geestelijk of lichamelijk gehandicapt. Hij ontwikkelde aangepaste leerstof en speciale training voor leerkrachten. Het programma wordt sinds vijftien jaar in alle staten met succes toegepast. Maar ook tot de andere kant van de boog strekt zijn deskundigheid zich uit: twintig jaar geleden al verscheen van zijn hand het standaardwerk 'Teaching the gifted child', een bruikbaar handboek voor iedereen die in het onderwijs met hoogbegaafde kinderen te maken heeft.

Als specialist op het gebied van leerprogramma's voor hoogbegaafde kinderen bracht hij onlangs een veertiendaags bezoek aan Nederland en Duitsland.

Hoogbegaafd is een kind dat in staat is tot prestaties die ver boven het gemiddelde liggen. Daarvoor zijn niet alleen hoge intellectuele capaciteiten nodig, maar ook creativiteit en doorzettingsvermogen. Of die prestaties er ook werkelijk komen hangt grotendeels af van een goede interactie met de wereld waarin het kind leeft: de ouders, de school en leeftijdsgenoten. Een intelligentietest is dus niet toereikend om hoogbegaafdheid te meten. Ongeveer tien procent van de schoolbevolking komt in het onderwijs niet aan zijn trekken. De kinderen die bij de bovenste vijf procent en hoger horen, hebben het ronduit moeilijk.'Beschrijf een schooldag' luidt de opdracht. En een negenjarig meisje in New York schrijft: Oh bore, oh bore, oh bore!Sometimes I feel if we do one more page, my head will explode with borenessrage.

I wish I could get up right there, and march right out the door.

Verveling, daarmee beginnen alle problemen van hoogbegaafde kinderen op school. De behandelde stof kennen ze al en nog een heleboel andere ook. Als de rest van de klas nog aan het werk is zijn zij al lang klaar. Ieder kind reageert daarop op zijn eigen manier. De een wordt stierlijk vervelend, de ander let geleidelijk aan helemaal niet meer op, tot hij uiteindelijk echt niet meer weet waarover de les gaat en slechte cijfers begint te halen.

Hoogbegaafde kinderen lopen vast in het reguliere onderwijs. Ze krijgen problemen met zichzelf en met hun omgeving en van de ontplooiing van hun talenten komt vaak niet veel meer terecht.

Er bestaat een algemene tendens om meer aandacht aan hoogbegaafden te schenken. Duitsland, Israel, Engeland en Canada zijn ons hierin vooruitgegaan. In de Verenigde Staten schrijft de wet voor dat in elke staat kinderen met speciale behoeften recht hebben op speciaal onderwijs. Dat betekent: leerstof die op hun behoeften is afgestemd en leerkrachten die daar speciaal voor zijn opgeleid. Sinds de jaren vijftig heeft elke staat speciale onderwijsprogramma's voor hoogbegaafde kinderen. Meestal vanaf het derde leerjaar, soms eerder, tot en met de universiteit. In bijna iedere iets grotere stad zijn goede onderwijsmogelijkheden voor hoogbegaafde kinderen te vinden.

Spoetnik

De komst van de Spoetnik in 1954 was een van de belangrijkste drijfveren om hoogbegaafde kinderen op te sporen en mogelijkheden voor hen te scheppen zich goed te ontplooien. Talent moest ontwikkeld worden, men wilde niet achterblijven bij de Sovjet-Unie. De National Science Foundation investeerde hoge bedragen in onderwijs. Ook werd hoogbegaafdheid voor het eerst als probleem herkend. De misvatting dat er gewone mensen bestaan en daarnaast nog een paar genieen als Einstein (die overigens een zeer middelmatige leerling was) en Marie Curie, begon veld te ruimen voor de opvatting dat menselijke capaciteiten een regelmatig verloop vertonen van zeer gering tot zeer hoog, met alle gradaties daartussen.

Ook Nederland is al geruime tijd bezig zich te orienteren op wat men voor hoogbegaafde kinderen op school kan doen. Om de verveling te verdrijven leek het versneld laten doorlopen van leerstof, een klas overslaan en het aanbieden van verrijkend lesmateriaal, het eerste wat geboden was. Sommige scholen, door het land verspreid, hebben hiermee op eigen initiatief een begin gemaakt. Maar lesmateriaal en training voor leerkrachten bestaan nog onvoldoende en zijn niet gesystematiseerd.

Niet overplanten

Wat kunnen wij leren van de Verenigde Staten, waar de programma's zo lang lopen dat er al evaluatie-onderzoeken zijn gedaan? Verschillende hierna nog te noemen, organisatorische en inhoudelijke aanpassingen aan het onderwijsprogramma hebben hun nut, respectievelijk hun falen al bewezen, maar: 'Je kunt een programma dat het ergens goed doet, niet zonder meer overplanten naar een ander gebied, alsof het een boom is', aldus James Gallagher. ' Dan werkt het niet. Je moet je afvragen: hoe kan ik het met deze kinderen, onder deze omstandigheden, met deze aanwezige bronnen en in deze omgeving het beste aanpakken.' ' Een goede infrastructuur is een voorwaarde voor succes. Om kwaliteit te garanderen heb je een basispatroon nodig van onderzoek doen, curriculum ontwikkelen, demonstratie (laten zien hoe de nieuwe onderwijstechnieken kunnen worden toegepast) en een goede training voor de leerkrachten, toegespitst op wat voor deze kinderen nodig is.' Bij curriculumaanpassingen gaat het niet alleen om 'meer' en 'vlugger', het gaat ook om 'anders'.

Gallagher: ' Je doel is ze grotere systemen van ideeen te leren begrijpen, omdat dat is wat ze kunnen. Een kind antwoordt in de denktrant van de vraag die hem gesteld wordt. Wij zijn gewend het geheugen en het oplossen van problemen te trainen. Een hoogbegaafd kind kan meer en heeft daar ook tijd voor. Als we het kind een andere manier van denken willen bijbrengen, dan moeten we anders vragen.' Het 'andere' in de manier van les geven zit in het stimuleren van divergent denken en een variant op het probleem oplossen: het probleem 'vinden'. In Gallaghers boek 'Teaching the gifted child' zijn veel voorbeelden te vinden van hoe hieraan met verschillende leeftijdsgroepen en op verschillende terreinen gewerkt kan worden. Waar dit soort onderwijs in essentie op gericht is bracht Einstein in 1938 al goed onder woorden: ' Het formuleren van een probleem is vaak essentieler dan de oplossing ervan, die een kwestie kan zijn van wiskundige of experimentele vaardigheid. Nieuwe vragen opwerpen, nieuwe mogelijkheden, oude vraagstukken vanuit een andere hoek bekijken vereist creatief voorstellingsvermogen en tekent echte vooruitgang in de wetenschap.'

Gallagher: 'In het denken zijn geen grenzen, niets is gek of gaat te ver. Alles waarmee een kind komt, als het maar nieuw, fris en interessant is, is goed.' Dat een 'verbreding' in die richting ook gewoon leuk kan zijn, kan blijken uit de volgende voorbeelden. De leraar heeft een kaart waarop de werelddelen magnetisch vastkleven. Hij pakt Zuid-Amerika en plakt het bij de Noordpool weer vast. Vraag: ' Wat zouden de gevolgen zijn als Zuid-Amerika niet daar maar hier gesitueerd was?' Omdat er niet echt een goed of fout antwoord bestaat, voelt de klas zich merkbaar vrijer om te antwoorden. Antwoorden van alle niveaus zijn mogelijk, van 'daar is het kouder', tot vergaande analyses over de gevolgen voor de Zuidamerikaanse cultuur als de Spanjaarden er nooit voet aan land zouden hebben gezet.

Ander voorbeeld: 'Stel een agenda op van de onderwerpen die op de volgende vergadering van de Verenigde Naties besproken zouden moeten worden'.

Of: 'Wat zouden de gevolgen zijn als we allemaal opeens drie vingers hadden in plaats van vijf?' De antwoorden varieren van de problemen die je zou hebben met het oppakken van dingen tot en met de frustraties van notoire nagelbijters.

Op schoolbezoek in Noord-Brabant legde Gallagher een klas tienjarigen de volgende vraag voor: ' We zitten in een tijdmachine en gaan terug naar de Middeleeuwen. Welke drie dingen neem je mee?' (Antwoorden: een dokter, m'n walkman, een videocamera om alles vast te leggen de klas hoonde, geen elektriciteit!).

Kleine aanpassingen

In de Verenigde Staten varieren de voorzieningen voor hoogbegaafde leerlingen van kleine aanpassingen zoals het aanbieden van extra leerstof tot aparte klassen, aparte scholen, zaterdagclubs en zomerkampen.

Voor leerkrachten is het vaak niet eenvoudig allerlei vernieuwingen en uitbreidingen op te nemen in hun toch al overvolle takenpakket. Een 'consultant teacher' kan daarin enige verlichting brengen. Deze adviseur is een speciaal opgeleide leerkracht die regelmatig met collega's bijeenkomt om ze geschikt lesmateriaal te geven en dat ook toe te lichten. Inhoudelijk kan de leerstof op verschillende manieren aangepast c.q. uitgebreid worden, zoals met verrijkend lesmateriaal, om een bepaald onderwerp verder uit te diepen. Is de klas bezig met de Russische Revolutie, dan kunnen de hoogbegaafde leerlingen opdracht krijgen bepaalde korte verhalen te lezen, een gedicht te schrijven of een film te bekijken die daar meer of andersoortige informatie over geeft.

Het abstractieniveau verhogen is een tweede mogelijkheid. Moet de klas beschrijven hoe de maag werkt, dan kan een hoogbegaafd kind vertellen (schrijven) over 'alle zelfregulerende organismen die ons lichaam heeft'. Ook is het mogelijk totaal nieuwe, andere leerstof aanbieden. Gallagher noemt als voorbeelden een minicursus symbolische logica, een diepgaande studie over het leven van Mozart, de rol van de ethiek in de hedendaagse politiek. Kortom, een koers die duidelijk afwijkt van het standaard leerprogramma.

In de Verenigde Staten gaan middelbare scholieren die een duidelijke aanleg in een bepaalde richting vertonen soms een paar uur per week naar een tutor, iemand van buiten de school die in de betreffende beroepsgroep werkt en het kind lesgeeft of laat meewerken. Dat kan bijvoorbeeld een violist, kunstenaar of wetenschappelijk onderzoeker zijn.

Pull-out class

Niet alle experimenten blijken succesvol. De 'pull-out class' is daar een voorbeeld van. Hierbij gaan kinderen die de gewone leerstof al voldoende beheersen een uur per dag naar een andere ruimte om daar met een speciale leerkracht 'iets extra's' te doen. Daarna gaan ze weer terug naar hun eigen klas.

Gallagher: ' Dit was het model waarvan iedereen verwachtte dat het een doorslaand succes zou worden. We hebben het vijf jaar geleden met meer dan duizend ouders en onderwijskundigen geevalueeerd. Er bleken vooral zulke grote verwachtingen van te bestaan omdat het zo gemakkelijk te verdedigen viel (Iets wat met hoogbegaafden-onderwijs nog steeds nodig is). Ouders waren tevreden omdat er iets voor hun kind gedaan werd, terwijl het toch grotendeels in een 'normale' klas zat, wat ze in sociaal-emotioneel opzicht belangrijk vonden. En onderwijskundigen konden de ouders geruststellen dat ze een heus hoogbegaafden-programma hadden, dat tegelijkertijd nou ook weer niet zo veel behelsde dat de buitenwereld het uitgeven van veel extra geld voor een elitair groepje kinderen kon hekelen.

Het enige jammere is dat de kinderen zelf niet veel aan de 'pull-out class' blijken te hebben. Dat komt voornamelijk omdat er geen structuur achter zit. Er is geen op dit onderwijs toegespitste bijscholing voor de leerkrachten georganiseerd en materiaal moeten ze zelf ergens vandaan zien te halen of verzinnen. Gallagher: ' Zo kreeg je zes weken dinosaurussen, zes weken Egypte, zes weken architectuur: alles waar de leerkracht maar op kon komen of zelf iets van af wist. Hoe een kind dat moet integreren in een groter geheel, al sla je me dood... Zoiets gaat boven de krachten van de meest begaafde leerling. Ik geloof niet dat de pull-out class werkelijk kwaad kan, maar voordelen lijkt het ook niet bepaald op te leveren.' Wat uit een ander onderzoek wel heel gunstig naar voren kwam, is het samen in een klas zitten van hoogbegaafde kinderen. Gallagher: ' Zelfs als je incalculeert dat de instrumenten waarmee dit is gemeten aantoonbaar zwakke punten hebben, blijft het resultaat nog heel goed. Ook als je de statistieken vergeet en het gewoon aan de kinderen vraagt, krijg je geheel duidelijke antwoorden, in de trant van: 'Ik vind het geweldig. Ik stond op het punt van school af te gaan, maar nu vind ik er toch wel weer iets aan'. Dat is bruikbare informatie. Vreemd genoeg is het laatste wat we bij een evaluatie doen het aan de betrokkenen zelf vragen. Langzamerhand dringt het door dat we dit soort informatie erbij moeten betrekken. Nu weten we dat hoogbegaafde kinderen van elkaar leren. Tegelijk is het niet waar dat hun klasgenoten wat aan ze zouden kunnen hebben, daarvoor is de afstand te groot. Als ik een middagje met Ivan Lendl ga tennissen omdat ik graag wil leren tennissen, speel ik daarna dan beter? Welnee, ik speel nooit meer!'

Barricades

Hoge intelligentie brengt meestal een aantal andere eigenschappen met zich mee, die barricades opwerpen bij de voorsprong die hoogbegaafde kinderen op anderen lijken te hebben. Een voorbeeld daarvan is hun radar-achtige waarnemingsvermogen.

Gallagher: ' Ze zitten anders in elkaar dan andere kinderen. Ze nemen veel meer waar dan anderen, maar hebben lang niet altijd de emotionele rijpheid om dat aan te kunnen. Ze hebben een soort supergevoeligheid voor informatie die binnenkomt. Zoals Mozart gevoelig was voor harmonieen en dergelijke, zo zijn er mensen die gevoelig zijn voor cognitieve informatie en systemen van ideeen. Ze kunnen ook extreem empathisch zijn, begrijpend. Die sensitiviteit kan ze erg ongelukkig maken over dingen waar een ander zich voor afsluit. Als je zulke leerlingen hebt, doe je er goed aan je te realiseren dat ze verbanden leggen, bijvoorbeeld tussen wat hun land gedaan heeft en het lijden van andere mensen. Dan voelen ze zich schuldig. Ze hebben een extreem rechtvaardigheidsgevoel, voelen zich ook schuldig over hun talent.' Perfectionisme is een ander, veel voorkomend, struikelblok. Gallagher: ' Ergens halen die kinderen het idee vandaan dat alles wat ze doen meteen perfect moet zijn. Ze kunnen soms helemaal overstuur raken als je ze vraagt iets overnieuw te doen, wat impliceert dat het de eerste keer fout was. Ik hoorde van een onderwijzeres die om die reden uit het museum een kopie gehaald had van het klad van de onafhankelijkheidsverklaring van Thomas Jefferson, met overal doorhalingen en verbeteringen erin. Dat liet ze de klas zien en zei: 'Als Thomas Jefferson de onafhankelijkheidsverklaring nog eens over kon doen, kun jij je les ook wel overmaken'. Dat was een goed idee, want voor zover kinderen weten schreef Jefferson die verklaring gewoon even op, meteen goed.

Dingen die de moeite waard zijn kosten tijd. Het is goed om kinderen daar voorbeelden van te laten zien, zoals de vele schetsen die een kunstenaar maakt voor hij aan z'n schilderij begint. Als je probeert iets creatiefs of ingewikkelds te doen, is de enige manier om het voor elkaar te krijgen een eindeloos geploeter tot het is zoals je het wilt hebben.' Dat geldt ook voor het creeren van een goede infrastructuur achter het hoogbegaafdenonderwijs. Ondanks het vele wat er al is. Gallagher: ' Toen mijn werk zich nog uitsluitend op de gehandicapten richtte, gooide men rozen aan mijn voeten. Ik kreeg zonder meer alle steun die ik nodig had. Er was helemaal niets, nu is het uitstekend georganiseerd. Al vijftien jaar is het gehandicaptenonderwijs een voorbeeld van goede kwaliteit. We hoefden ons daarbij niet te verontschuldigen dat er extra geld uitgegeven werd voor kinderen die het moeilijk hadden, die het echt nodig hadden. Maar met hoogbegaafde kinderen is de reactie: wat heeft dat voor zin, die kinderen zijn al bevoordeeld genoeg.' ' Het lijkt wel of alleen een crisis voldoende kracht genereert om iets nieuws in beweging te zetten. Er zijn mensen die het democratische systeem handig gebruiken en zefls denkbeeldige crises creeren om geld los te krijgen. 'De Russen komen!', bijvoorbeeld. Als het lukt worden de mensen bang en zeggen ze: 'Hier is geld, doe er iets aan'. Maar met hoogbegaafdheid is het moeilijk mensen bang te maken, laat staan ze bang te houden tot die infrastructuur er is. Er blijft dus niet veel anders over dan terug te vallen op maatschappelijke argumenten zoals: 'Wil je ooit een goede chirurg hebben, dan moet je nu wat doen voor dit zevenjarig jongetje'.

Maar het idee dat je nog eens door zo'n jongetje geopereerd zult worden is moeilijk te bevatten. Daarbij komt dat het een oneigenlijk argument is. Het onderwijs mag er niet op gericht zijn hoogbegaafde kinderen een bepaalde kant op te dwingen. Er wordt te vaak druk op hen uitgeoefend: dat ze, met zoveel talent, de wereld iets schuldig zouden moeten zijn. Dat vind ik een onsympathieke gedachte. Bovendien weten we zelf niet wat een goede bijdrage aan de maatschappij zou zijn. Misschien is een schilderij dat pas over twee generaties gewaardeerd wordt, veel belangrijker dan een brug die nu door een ingenieur gebouwd wordt.' Zou Gallagher het jammer vinden als een genie een tevreden maar teruggetrokken leven zou leiden, zonder zelfs maar een klein beetje nut voor de maatschappij? Gallagher: ' Ik zou het prima vinden. Theoretisch moet het mogelijk zijn. Maar uit de praktijk weet ik, dat iemand die grote talenten heeft en die zelf herkent maar niet gebruikt, een erg ongelukkig mens is. Ergens op een onbewoond eiland onder een palmboom gaan zitten nietsdoen en gelukkig wezen, lukt hem gewoon niet.'