Galerie .31 Dordt was proeftuin voor 'informele' kunst

Schoonheid, schreef Lucebert jaren vijftig, heeft haar gezicht verbrand. Op de expositie in het Dordrechts Museum over de 'geruchtmakende' Dordtse galerie Punt Eenendertig (.31) is te zien dat de moderne, abstracte kunstenaars uit die tijd flink wat gips, kippegaas, zand en as door hun verf mengden om dat verbrande aangezicht te verbeelden.

Door PAUL STEENHUIS

In die tijd galerie .31 bestond van 1957 t/m 1962 was dergelijke abstracte kunst schokkend. Nederlandse kunstenaars die aansluiting zochten bij de meer informele abstracte kunststroming, en een broertje dood hadden aan de expressieve Cobra-figuratie, konden amper ergens terecht. Nederland, nog steeds in de wederopbouw, en ferm in de greep van de Koude Oorlog, was nog maar juist bekomen van de schok dat Sandberg schilders als Appel en Corneille in het Stedelijk Museum in Amsterdam had getoond. Een van de Informele (later Nul-) kunstenaars, Henk Peeters herinnert zich in de fraaie catalogus bij de expositie, dat de abstracte schilderijen van Rothko en andere Amerikanen op een moderne kunsttentoonstelling in het Haags Gemeentemuseum in 1956 veilig in de kelder weggeborgen bleven toen de koningin op bezoek kwam. Galerie .31, opgezet door kunstenaar Cor de Nobel uit Dordrecht, was een van de weinige proeftuinen in Nederland voor informele kunstenaars, samen met de Amsterdamse galerie Amstel 207 en Orez in Den Haag. De Nobel bracht in .31 de naam was een samentrekking van 'trefpunt' en het huisnummer van de galerie in de Schuitenmakersstraat min of meer geestverwante kunstenaars samen als Armando, Jan Schoonhoven, Jan Hendrikse, Henk Peeters, Fred Sieger, Kees van Bohemen. Maar ook schrijvers als Cees Buddingh' en Simon Vinkenoog en jazzliefhebbers troffen elkaar er vaak.

Hoewel er natuurlijk vroege, nog niet witte papiermache-reliefs van Schoonhoven hangen, lyrisch abstracte 'verfexplosies' van Van Bohemen en Rob Peters, zelfs figuratief werk (van Paul Weijenberg, de 8-jarige Jaapje Schoonhoven en anderen) overheerst op de expositie in het Dordrechts Museum toch de materieschilderkunst. Cor de Nobel had daarvoor duidelijk een voorliefde. Dat blijkt niet alleen uit zijn exposanten, ook uit zijn eigen werk, dat ruim op de expositie vertegenwoordigd is. Je krijgt het gevoel dat de samenstelster van de expositie, Ineke Voorsteegh, educatief medewerkster van het museum, alsnog een hommage wil brengen aan de man die, zonder een cent, ondanks alle tegenwerking, uit puur idealisme in die benauwde jaren toch probeerde aandacht te krijgen voor deze 'andere' kunst: Dordt haalt haar verloren zoon binnen.

De Nobel experimenteerde veel met zand, as, gips en dergelijke in zijn schilderijen. Zijn over het algemeen licht gekleurde werken (zijn collega's hielden het vaak bij wat somberder kleurstellingen) doen nu, ruim dertig jaar na hun ontstaan, vooral estetisch aan. Dat geldt eigenlijk voor vrijwel alle kunstwerken op de expositie. Ze komen nu over als onschuldige, bijna brave vormexperimenten. Terwijl ze in de jaren vijftig het schuim op de lippen van de critici brachten: klodderaars, 'varkens' zelfs werden de kunstenaars genoemd.

Dat was natuurlijk ook de bedoeling: het publiek schokken. De Dordtse dichter Cees Buddingh' sprak tijdens de opening van galerie .31 op 3 december 1957 onder meer: 'De wereld waarin wij leven heeft namelijk de oude, veilige vormen van houvast verloren en wat de mens als zekerheden pleegt te zien zijn in werkelijkheid slechts ficties. De moderne kunst nu tracht de mensen duidelijk te maken, dat het lieve wereldbestel waarin zij zich zo behaaglijk trachten op te rollen als destijds in de moederschoot, alleen nog maar in hun conservatieve verbeelding bestaat, en hen de realiteit te onthullen van de 'condition humaine'. 'Slaapwandelaars zijn wij allen', heeft Lucebert in een van zijn gedichten geschreven en iedere uiting van een modern kunstenaar is een poging, om de toeschouwer, desnoods met 'shock-tactics' uit zijn slaapwereld los te scheuren en hem al is het maar voor een kort ogenblik wakker te maken.'

Het behoeft geen betoog dat de tijden veranderd zijn, en de 'shock-tactics' ook aangepast zijn. Tegenwoordig brengt een uitvergroot kitsch-varken de gemoederen in beweging. Door het werk van de informeel-abstracten is onze smaak veranderd. We zijn eerder geneigd de schoonheid te zien van een verweerde muur of 'aangevreten pleisterwerk, in de bestorven kleuren van zilverzand, kalk of cement, zich verdiepend in de roestige sporen van verdwenen ijzerbeslag' om Betty van Garrel te citeren. Mede daardoor denk je nu bij het bezien van de meeste schilderijen op de Dordtse expositie: het menselijk tekort, leg het maar naast m'n bord (om Buddingh' nog een keer te citeren). Eigenlijk ademt alleen het werk van Armando, met name de minimale nerveuze houtskoolkriebels op verder maagdelijke vellen, nog iets van de veronrusting die de kunstenaars in die tijd blijkens de teksten wilden overbrengen.

De Nobel, thans eigenaar van de galerie Puntgaaf voor toegepaste kunst in Groningen, is wel ingenomen met dit wat late eerbetoon aan zijn Dordtse initiatief. Ook voor hem is het allemaal lang geleden, en zijn de tijden veranderd. 'Maar ik geef nog steeds de ruimte in mijn galerie aan jonge mensen', zegt hij. Bovendien heeft hij het gevoel dat er sprake is van een algemene herwaardering voor wat er in de jaren vijftig in de kunst gaande was. De expositie over .31 (die van 4 september t/m 14 oktober ook nog in het Centrum Beeldende Kunst in Groningen te zien zal zijn) is daarvan een voorbeeld. Zoals ook de stroom boeken over de Nieuwe Stijl, Nul, Barbarber. Bovendien ziet hij ook jonge beeldende kunstenaars die weer aan het experimenteren slaan met materieschilderkunst 'omdat jongeren toch weer op zoek zijn naar nieuwe waarden in deze tijd', zegt hij.