De FBI was in zaak-Rosenberg 'guilty as hell'

Onder de titel 'Niks complot, niks doorgestoken kaart' schrijft Martin van Amerongen in NRC Handelsblad van 14 juli een betoog over de terdoodveroordeling en executie van de Rosenbergs in 1953 wegens atoomspionage, dat er op neer komt dat de doodstraf wel wreed was maar de verdachten zelf 'guilty as hell' waren. Wat zijn de belangrijkste feiten? Julius en Ethel Rosenberg werden veroordeeld wegens het bemiddelen bij atoomspionage op basis van getuigenverklaringen van twee beweerde mededaders, Harry Gold en David Greenglass, en van een document, een hotelregistratiekaart.

Gold was een fantast in een eerder proces al op leugens betrapt (de zaak-Brothman/ Moskowitz), die pas na honderden uren suggestief verhoor door de FBI zijn reeds bizarre en vele malen gewijzigde verhalen uitbreidde met beweringen over Greenglass en pas weer later over Rosenberg nadat Greenglass Rosenberg als de hoofdschuldige had genoemd. Greenglass was gedwongen namen te noemen nadat hijzelf op diefstallen was betrapt in het Los Alamos-complex. Hij had een gespannen relatie met zijn zwager, Rosenberg. Nog voor de executie van de Rosenbergs werd aangetoond dat Greenglass ten minste op een punt meineed had gepleegd (over een beweerde microfilminstallatie in de tafel ten huize van de Rosenbergs). De hotelregistratiekaart is een vervalsing gebleken. De tekeningen van De Bom, die op het proces werden geproduceerd, waren onjuiste en ondeskundige krabbels, die zoals Van Amerongen ook vermeldt geen enkel bruikbaar gegeven bevatten.

Deze feiten zijn helder en uitvoerig gedocumenteerd in het gezaghebbende boek Invitation to an inquest van Walter en Miriam Schneir uit 1965. Van dit boek is in 1983, op de dertigste verjaardag van de dubbele executie, een update verschenen bij Pantheon, New York, gebaseerd op de documenten die na jaren verwoed procederen door de beide zoons Rosenberg aan de FBI zijn ontwrongen (dus niet, zoals Van Amerongen het stelt, 'na lang aandringen door de FBI zijn vrijgegeven').

Frame up

Deze documenten bevestigen op onthutsende wijze het beeld van een frame-up. Zo bevestigen de afschriften van de verhoren dat Gold Greenglass niet kende en zich nimmer de Rosenbergs heeft herinnerd ondanks zijn volledige medewerking totdat de FBI Greenglass via chantage aan het praten kreeg en met die verhalen weer het geheugen van Gold 'opfriste'. Ook een fraai staaltje betreft de getuigenis in de rechtszaal van Gold dat zijn contact, Greenglass, het wachtwoord zou hebben gebruikt: 'I come from Julius'. In de nieuwe stukken zit een eerder verhoor van Gold door de FBI met hetzelfde verhaal en dezelfde plaats en tijd, alleen het wachtwoord was toen nog: 'Greetings from Benny in New York', en zonder een woord over de Rosenbergs. De desbetreffende ontmoeting tussen Gold en Greenglass in Albuquerque was de kern van de telastelegging; ook meergenoemde registratiekaart had daarop betrekking. Denkt men die twee weg dan blijft er van de telastelegging letterlijk niets over.

Dat na deze onthullingen door de FBI zou worden teruggeslagen was te voorzien, evenals de manier waarop dat zou geschieden. De FBI wil niet punt voor punt op de verwijten ingaan en blijft via stromannen met zogenaamde onthullingen en nieuwe studies komen, die in feite langs de getrokken conclusies heen gaan. Dat is een erkenning dat het materiaal waartegen de Rosenbergs zich konden verdedigen niet deugde. Of ander materiaal dat niet op het proces is gepresenteerd, maar op dat moment de FBI al volledig bekend was en in geen enkel opzicht geheim, dan wel deugde is eigenlijk geen vraag. Toch heeft deze techniek helaas al decennia lang succes.

Zo verschenen de twee door Van Amerongen als betrouwbaar afgeschilderde, maar in feite kennelijk door de FBI gesponsorde boeken van Radosh en Milton, en van Robert Lamphere. Beide komen met een als 'nieuw' opgepoetste versie van het oude verhaal van de 'second spy ring'. Dat beide boeken niet te goeder trouw zijn valt eenvoudig te bewijzen.

Die 'second spy ring' zou sinds 1942 elektronische (niet-nucleaire) technologie van de Amerikaanse verbindingstroepen aan de Russen hebben geleverd. Na de executie van de Rosenbergs is echter al spoedig gebleken dat dit onmogelijk waar kon zijn. Tot 1945 was het regeringsbeleid van de VS vastgelegd in het Lend-Lease-verdrag om alle (niet-nucleaire) technologie aan bondgenoot Rusland ter beschikking te stellen. In het laboratorium van het Army Signal Corps in Fort Monmouth, waar de 'second spy ring' zogenaamd opereerde, was daartoe een officiele Russische agent gestationeerd met toegang tot alle, ook geheime, documenten. 'They didn't have to steal it' (bron: Bulletin of Atomic Scientists, januari 1954; Murrey Marder: The Monmouth Story). Beide 'studies' verzwijgen dit simpele maar verpletterende feit.

Vervalsing

Daarnaast nog een van de voorbeelden van vervalsing: het schrijversduo Radosh en Milton beweert te hebben ontdekt dat de getuige mevrouw Bentley reeds in 1945 had getuigd dat haar minnaar Golos tot zijn dood werkzaam voor Armtorg, de Russische inkooporganisatie in 1943 als spion een ontmoeting heeft gehad met Rosenberg, althans met 'een man met een hoornen bril'(!). Zij had ook telefoontjes voor Golos aangenomen van ene Julius. Bentley getuigde ditzelfde bij het Rosenberg-proces.

Deze weergave wekt de indruk dat het verhaal van Bentley hoewel berucht als leugenares deze keer niet was gefantaseerd, maar gedurende de jaren ongewijzigd en dus authentiek. De werkelijke strekking van de documenten is precies tegengesteld: blijkens de vrijgegeven files sprak Bentley in haar in 1945 afgelegde verklaring over een Julius die architect was en voor de marine werkte. Deze man heette in werkelijkheid Jules en kon op basis van de beschrijving van Bentley meteen worden opgespoord. Hij werd nog steeds volgens de documenten door Bentley herkend bij een officiele confrontatie; het leidde niet tot vervolging van deze Jules, kennelijk omdat het om legale Armtorg-zaken ging. Rosenberg was geen architect of marineman.

Nog een voorbeeld van vervalsing, nu door auteur Lamphere, FBI-agent en van begin af aan een van de fraudeurs in de Rosenberg-zaak. Hij 'onthult' dat de FBI in 1948 reeds zocht naar een spionne, 29 jaar oud, genaamd Ethel. Hoe komt het dan dat FBI en Justitie op de avond van de executie zelf niet overtuigd waren van enig aandeel van Ethel Rosenberg, zoals uit de nieuwe documenten blijkt en zoals zelfs Radosh en Milton vermelden? Fellow-travelling is gelukkig 'uit', maar dat is geen reden plotseling de VS heilig te gaan verklaren of het McCarthyisme goed te praten. De Rosenberg-zaak is onweerlegbaar een geval van justitiele moord met voorbedachten rade, hoe hard de FBI ook spartelt.