Verdere stijging olieprijs te verwachten

ROTTERDAM, 6 aug. Terwijl de grote Westerse landen het afgelopen weekeinde op het hoogste niveau voortdurend contacten onderhielden over het effectueren van de internationale olieboycot tegen de Iraakse leider Sadam Hussein kwamen woedende automobilisten in de Verenigde Staten in het geweer tegen de eerste gevolgen.

Ook in Nederland is meteen beroering ontstaan over de snelle prijsverhoging van autobrandstoffen door oliemaatschappijen. In Amerika moet valt die verhoging nog mee: vijf dollarcent per gallon (bijna vier liter) benzine, termijl in Nederland al drie tot vier cent per liter extra wordt betaald. De oliemaatschappijen trekken zich in hun prijsbeleid niets aan van de grote voorraden ruwe olie die ze nog tegen de lage prijzen van de laatste maanden hebben ingekocht. De prijs voor olieprodukten op de wereldmarkt is bepalend, maar dat geldt net zo goed bij een prijsverlaging als bij een verhoging. De automobilist moet nu pijn lijden, maar als de boycot voorbij is profiteert hij ook weer snel van een prijsverlaging ook al hebben de maatschappijen dan een hele periode veel meer voor hun grondstof betaald.

Wellicht is er op korte termijn alweer een nieuwe benzineprijsverhoging te verwachten, want vanmorgen sprong de olieprijs op de Londense termijnmarkt opnieuw omhoog, naar 26,5 dollar. Dat is nog geen recordprijs, maar wel de grooste stijging in maanden. Het besluit van de Europese Gemeenschap van zaterdag, in een bijna ongekende eensgezindheid genomen, om Irak nu met straffe hand te boycotten niet vreemd aan. Ook de reactie van de Japanse regering, die de boycot zijn internationale karakter geeft, maakt duidelijk dat we te maken hebben met een collectieve woede over de Iraakse invasie van Koeweit die op het oliefront tot een crisis kan leiden.

Dan is er nog de staking van duizenden werknemers op de olieplatforms in de Noordzee, die onder normale omstandigheden slechts een rimpeling in de vijver zou veroorzaken, maar nu tot extra onrust onder de oliehandeleren aanleiding geeft.

Op korte termijn is er nog geen sprake van enig olietekort omdat er enorme voorraden ruwe olie en olieprodukten aanwezig zijn bij de oliemaatschappijen, in tankers op zee. Maar een deel van die voorraden zit in de tanks in het Midden Oosten die door OPEC-landen worden beheerd. Het is begrijpelijk dat de oliehandel niet helemaal gerust is op de beschikbaarheid van dat deel van de voorraden.

Van essentieel belang is of de vermindering in de olie-aanvoer door de boycot van 4,5 miljoen vaten uit Irak en Koeweit door andere producerende landen wordt gecompenseerd door een hogere produktie en -export. Gebeurt dat niet, dan kunnen de voorraden binnen enkele weken sterk zijn verminderd en moet net als bij de eerste oliecrisis in 1973 een internationale verdeling van de beschikbare aanvoer ongelukken voorkomen. Dan komt het aan op onderlinge solidariteit tussen de consumerende landen, om de pijn zo evenwichtig mogelijk te verdelen. De 'Gouverning Board' van het Internationaal Energie Agentschap (IEA) in Parijs bezint zich daarover vandaag al en de 'Oliecommissie' van het IEA ontwerp aanstaande donderdag een noodscenario om op alle eventualiteiten voorbereid te zijn.

Intussen worden op het hoogste niveau politieke en diplomatieke contacten onderhouden over de manier waarop Iraakse olie aan de bron of onderweg moet worden tegengehouden, en over een mogelijke compensatie van de verminderde olietoevoer. In beide gevallen speelt Saoedi-Arabie, dat zowel de Iraakse pijpleidingen beheert als de grootse eigen olievoorraden heeft, een essentiele rol. De hamvraag is of de Saoedi's de druk van Sadam Hussein durven te weerstaan. Turkije zit in dezelfde positie: dreigementen en warschuwingen van Hussein tegenover een dringen beroep van de belangrijkste leider in de Westerse wereld, president Bush, om de Irakse pijplijn naar de MIddelllandse Zee af te sluiten.