Gebitten als kolenhokken

Koffie is in Marokko een luxe-produkt. Als mijn vrouw in Casablanca arriveert, zitten er dan ook in haar koffers, ware hoornen van overvloed, een paar kilopakken Douwe Egberts. De Marokkaan drinkt thee, bij liters. Er wordt vier of vijf keer per dag thee gedronken en het is het eerste dat wordt klaargemaakt als er een gast is. Hij wordt gezet uit groene Chinese thee en munt, de befaamde 'nana', met graan het meest elementaire volksvoedsel van het land.

Dit brouwsel wordt geconsumeerd met waanzinnige hoeveelheden suiker. Die wordt hier verkocht in geperste conussen, waarvan stukken worden afgeslagen. In een theepot van normale grootte gaan omgerekend ongeveer tien overvolle eetlepels suiker. Suiker is 'bida', een verderfelijke innovatie. Onderzoek heeft uitgewezen dat de kolossale toename van het suikergebruik pas begint na de Tweede Wereldoorlog. Voor die tijd was het gewoon te duur.

Dit is een aardig voorbeeld hoe in de sunna, die de steile geleerden zo graag zien als eeuwig en onveranderlijk, door pragmatisme steeds weer nieuwe gewoontes binnensluipen.

De Profeet Muhammad schreef het gebruik van een 'siwak' voor, een eindje hout, met aan het einde een flos, waarmee de tanden gereinigd dienen te worden. Mijn schoonouders hebben voor ons een siwak meegenomen uit Mekka, samen met andere herinneringen aan de pelgrimage.

Had de Profeet deze suikerconsumptie voorzien, hij had waarschijnlijk de tandenborstel en tandpasta voorgeschreven. Deze nieuwlichterij vindt echter maar mondjesmaat ingang, vanwege de prijzen. Het onvermijdelijke gevolg is dat het tandbederf in Marokko bijna rampzalige vormen heeft aangenomen.

Overal zie je dus gebitten als kolenhokken. Het gezicht van schone, sensuele dames wordt ontluisterd, zodra ze hun mond opendoen. Het gebruik van de sluier, die veel vrouwen van boven de veertig hier nog dragen, heeft daarom boven het handhaven van de zedigheid een nuttige toegevoegde waarde.

De eerste order die mijn vrouw uitdeelt als ze me ziet, is dat ik naar de kapper moet. Met mijn jongste zwager ga ik derhalve naar de barbier om de hoek.

Eenmaal geinstalleerd in zijn stoel zie ik in de spiegel dat achter mij een gestadige stroom klanten zich naar een achterkamertje begeeft. Met name nam ik notitie van een onwillig knaapje, dat in een ferme houdgreep naar binnen werd gevoerd. Bij tijd en wijle onderbrak mijn Figaro zijn knipwerk en vertrok naar achteren. Na enige tijd hoorde ik gegil en gesteun. Daarna kwam het mannetje weer te voorschijn, huilend en met een grote lap tegen zijn mond gedrukt.

Tandartsen zijn namelijk niet te betalen voor de meeste Marokkanen. Ik heb het geturfd: mijn barbier trekt evenveel kiezen als knipklanten, als u mij deze constructie wilt vergeven.

In de winkelstraat verderop heb ik drie zaken in kunstgebitten ontdekt, die volgens mij allemaal een bloeiend bestaan leiden.

Ik moet er nog bij vermelden, dat ik voor ik geknipt kon worden, eerst tien minuten voor een gesloten deur moest wachten. Het was kwart over vier, tijd voor het middaggebed, zo werd me meegedeeld.

Dit was informatie die ik op het eerste gehoor niet op zijn juiste waarde inschatte, iets wat me hier voortdurend overkomt.

De barbier immers is een man van onbesproken gedrag en slaat dus nooit en te nimmer het gebed over. Hij doet namelijk ook besnijdingen.