Een munt voor vijf landen

In Basel en in Brussel circuleren al vertrouwelijk de statuten voor de op te richten Europese Centrale Bank (onze Nederlandse uitdrukking 'Centrale Bank' is een anglicisme. Eigenlijk is het Duitse woord 'Notenbank' fraaier: de bankinstantie die het bankpapier uitgeeft; het woord 'emissiebank' is in Nederland nooit aangeslagen). Insiders spreken al over de Eurofed, een naam die verwijst naar de Federal Reserve in de VS. Het voorgestelde eindpunt is duidelijk genoeg: een zo onafhankelijk mogelijke instelling die verantwoordelijk is voor een geldsoort in alle deelnemende landen.

Onafhankelijk moet elke centrale bank zijn om te voorkomen dat de politici greep krijgen op de geldvoorziening en die gaan gebruiken voor electorale doelen. Het is o zo verleidelijk om de bankbiljettenpers sneller te laten draaien in het verkiezingsjaar en op die kunstmatige manier de economische groei op te zwiepen, in de hoop dat de onvermijdelijke versnelling in de inflatie, die de prijs vormt voor een te snelle toename van de geldhoeveelheid, pas zichtbaar wordt na afloop van de verkiezingen. De huidige inflatie in Engeland bijvoorbeeld is voor een deel het gevolg van een waarschijnlijk moedwillig verkeerd monetair beleid dat oud-minister Lawson inzette om de parlementsverkiezingen van 1987 voor zijn bazin te winnen. Dat jaar was prima voor de Engelse economie; de conservatieven behaalden een derde achtereenvolgende verkiezingsoverwinning, maar nu moet Engeland nog zien hoe de 8 tot 9 procent inflatie weer kan verdwijnen.

Een groot voordeel van een Eurofed die verantwoordelijk is voor de geldvoorziening in alle aangesloten landen is dat electoraal geinspireerde manoeuvres met de geldvoorziening heel onwaarschijnlijk worden. De verkiezingsdata zijn immers niet synchroon in de aangesloten landen. Pas wanneer het Europees Parlement werkelijk belangrijk wordt, ontstaat een nieuw probleem: hoe te voorkomen dat de meerderheid in dat parlement de Eurofed op ongepaste wijze onder druk zet. Vooralsnog is een onafhankelijke Eurofed een verbetering voor Frankrijk, Engeland en andere landen waar de Centrale Bank anders dan in Nederland weinig meer is dan een afdeling van het ministerie van financien.

In de officiele stukken over de Eurofed zal men het bovenstaande argument tevergeefs zoeken. De Europolitici in Brussel en de gouverneurs van de centrale banken die nu de statuten van de Eurofed schrijven, zien er met fijne tact maar van af om de regeringen een spiegel voor te houden waarin ze de niet zo frisse aspecten van hun eigen beleid nog eens kunnen zien. Toch is dit argument waarover de officiele documenten zwijgen een belangrijke reden om te hopen dat de Eurofed er komt. Het monetaire beleid en daarmee de inflatie, de rente en de wisselkoersen kunnen meer stabiel zijn dan wanneer monetair beleid gedicteerd wordt uit Downing Street of Matignon.

Een nog zwaarder officieel taboe rust op misschien het belangrijkste argument voor een onafhankelijke Eurofed: hoe meer wij Europeanen met elkaar handel drijven, direct of via ons pensioenfonds bezittingen aanhouden in andere landen, onze kinderen een jaar in het buitenland laten leren, en allemaal een Europese munt gebruiken, des te kleiner wordt de kans dat de nationale regeringen ooit nog voorbereidingen treffen voor een oorlog. Vrij verkeer van personen, goederen en kapitaal te zamen met een Europees geldsysteem maken het bouwen van een oorlogseconomie immers onmogelijk voor individuele Europese landen. Ook al is de kans op een herhaling van 1914 of 1939 nu al klein, toch blijft het waardevol om instituties te ontwerpen die een conflict der naties in ieder geval binnen Europa geheel elimineren.

Wegens die twee politieke argumenten ben ik er voorstander van om de sprong naar een onafhankelijk Eurofed te wagen. Het economische gemak van een munt voor West-Europa is meegenomen en voor mij niet de hoofdzaak.

Zijn er ook risico's? Jazeker, ik noem er twee, waarvan intussen een waarschijnlijk is geelimineerd. Vorig jaar eisten de perifere (en armere) EG-landen zoals Ierland, Portugal of Griekenland als prijs voor medewerking aan de Eurofed hoge subsidies uit het Europese regionale fonds. Jaarlijkse betalingen van Duitsland, Frankrijk en de Benelux moesten die landen compenseren voor het inleveren van het recht om de eigen munt te devalueren en op die manier de export een kunstmatige stimulans te geven.

Zo ging het debat in 1989. Nu groeit een consensus dat Duitsland, Frankrijk en de Benelux heel goed alvast kunnen beginnen met een munt in 1994 (?), waarbij de andere landen zich dan vrijwillig kunnen aansluiten wanneer dat in hun nationaal belang is. Dit is het nieuwe scenario van president Pohl van de Westduitse Bundesbank; een principebesluit voor de hele EG maar een praktische implementatie die begint met Duitsland, Frankrijk en de Benelux. Pohls voorstel wint snel terrein, vooral bij de vijf kandidaat-koplopers die nu al dezelfde lage inflatie hebben en feitelijk klaar zijn voor de stap naar een gemeenschappelijke munt.

Dan blijft het tweede ernstige risico aan elke vorm van monetaire integratie. Stel dat de toekomstige Eurofed kiest voor nul tot twee procent inflatie per jaar en dat de loonstijging in het welvarende Zuid-Duitsland daar goed bij aansluit. Nederland is economisch zwakker dan Beieren, maar kan daarvoor nu nog compenseren door een iets lagere jaarlijkse loonstijging. Ons kostenvoordeel weegt dan op tegen de nadelen van hoge belastingdruk en in vergelijking met Stuttgart en Munchen verpauperde grote steden.

Maar, komen er straks Europese vakbonden die per bedrijfstak in heel West-Europa een identieke looneis stellen, dan kan de Nederlandse industrie niet langer op prijs concurreren met de Duitse munt. De combinatie dus van een geldsoort en een uniforme loonontwikkeling in landen die toch economisch verschillen, kan betekenen dat machines en mensen migreren maar een sterkere economie. De Nederlandse relatieve armoede ten opzichte van Zuid-Duitsland zou dan verder toenemen en onze regering zou grote moeite hebben de ontvolking en verpaupering tegen te gaan. Immers, hoe meer burgers en bedrijven over de grens verdwijnen, des te smaller wordt de belastingbasis.

Zo lang de vakbonden maar nationaal blijven opereren en niet proberen dezelfde lonen te eisen in heel West-Europa, zal het wel meevallen met het risico dat bijvoorbeeld Nederland het economisch moet afleggen tegen Duitsland. Wij Hollanders blijven dan informeler en sjofeler, maar zonodig iets goedkoper dan de tuchtige Oosterburen. Bij onafhankelijke, nationale loonvorming zijn Duitsland, Frankrijk en de Benelux wel klaar voor het grote experiment. Vijf landen, drie talen, een munt.