De gebroeders Fleur

Paulus Fleur was de sterkste van de twee. Hij werd op 8 april 1737 in Leiden geboren en was in staat 'om een kwartier ver, op een been voort te rijden, zonder het andere been op het ijs te zetten'. Een afstand waar anderen een uur over deden, zo schrijft een negentiende-eeuws naslagwerk, legde Paulus in tien minuten af. Hij zou dit zelfs eens 'dertien uren gaans achtereen hebben uitgehouden en dus dezen weg in 2 uren en 10 minuten hebben afgelegd'. Maar zijn oudere broer Cornelis kon mooier schaatsen en hij zou uiteindelijk de familienaam vereeuwigen. Cornelis werd op 16 januari 1735 geboren. Zijn vader was baggerman en Cornelis zelf, zo blijkt uit de doopboeken op het Gemeente-archief in Leiden, werd kolkruimer, rioolreiniger. Paulus schopte het verder en wist op den duur van metselaarsknecht op te klimmen tot metselaar.

De Rijnlanders stonden in die dagen bekend als uitmuntende schaatsers. Mr. J. van Buttingha Wichers schreef in 1888 in Schaatsenrijden, nog altijd het standaardwerk op dit gebied, dat sommigen van hen 'met de schaats een geheel alphabet in trekletters op het ijs teekenden; anderen toonden hunne vaardigheid door met de schaats verkeerd of achteruit voort te rijden, en door andere dergelijke kunstjes'. Niemand beheerste dit soort kunsten beter dan Cornelis Fleur. 'Door zijn buitenoverrijden trok hij zoo de bewondering in Rijnland', aldus Buttingha Wichers, 'dat dit rijden, elders 'baaivangen' genoemd, in de omstreken van Leiden de naam van fleuren verkreeg, een woord dan men thans nog dikwijls hoort bezigen'.

Het woord kwam uiteindelijk in Van Dale terecht met als betekenis 'beentje-overrijden, sierlijk schaatsenrijden'. Een van de bewonderaars van Cornelis Fleur was de Leidse hoogleraar, dichter en orangist J. le Francq van Berkhey. Toen Cornelis begin januari 1776 plotseling op veertigjarige leeftijd overleed, schreef Van Berkhey dan ook een acht pagina's tellend gedicht over hem, getiteld Lijkzang in heldendicht, ter nagedagtenis van den beroemden Leydschen Schaatsryder Cornelis Fleur. Overigens ondertekende de hoogleraar dit gedicht in eerste instantie met 'Janus Schaatsrijderus', maar nog datzelfde jaar nam hij het onder eigen naam op in zijn bundel Gedichten.

Van Berkhey kon niet hoog genoeg opgeven van de kwaliteiten van Cornelis. 'Hij tartte op 't glibbrig Ys een Vogel in de vlugt, / En hield het Element des Waters voor zyn lugt', schrijft hij, en met zijn 'rappen voet' en 'vaste glee' maakte Cornelis '... de uuren tot quatieren en tot stonden, / als hy, op eenen dag, al die uitgebreide ronden/ Van Stichts en Hollands kring, langs Ryn en Yssel, Vecht, / Tot aan den Amstel toe ter schaats had afgelegt.' Maar Cornelis schaatste niet alleen mooi en snel, hij was ook een held. Want hij was het 'die weleer zoo veele drenkelingen/ Aan de yz'ren vuisten van den dood bestond te ontwringen, / Als hy, vol moed en kragt, de taaije schotsen brak, / en zeulde gantsch verkleumt den Drenkeling uit het wrak'. De conclusie van Berkhey is opmerkelijk: niet alleen moet voortaan bij iedere schaatswedstrijd de naam van Fleur in het ijs worden gegrift, maar hij stelt ook: 'Nooit weig're een fluksche Maagd, of poes'le en bolle Zus, / Op 't hooren van zyn naam, ter schaats, een heusche Kus!' Het graf van Cornelis Fleur werd geschud, en geen straatnaam, plaquette of standbeeld in Leiden herinnert aan hem. In 1888 wist Buttingha Wichers te melden dat de schaatsen van Cornelis werden bewaard door zijn achterneef Van Gelder, boekhandelaar op de Lange Brug, maar deze boekhandel is sinds lang verdwenen.

De sterke Paulus overleefde zijn broer ruim vijftig jaar. Hij stierf op 14 november 1827, eenennegentig jaar oud. Zijn laatste jaren bracht hij door in het Rooms Katholiek Wees- en Oudeliedenhuis op de St. Jacobsgracht, de straat waar hij en zijn broer hun jeugd doorbrachten en waar zij ongetwijfeld voor het eerst de schaatsen onderbonden.