Van den Berg wil terug op Olympische surfplank

HOORN, 4 aug. 'Of je wordt gevaren, of je zeilt voorop. Maar je kunt ook gunstig achteraan liggen: dan kun je het veld overzien en vanuit de achterhoede bekijken hoe weersveranderingen het veld beinvloeden, zodat je de achterstand alsnog in een voorsprong kunt omzetten. Het spel met het water en de wind is eigenlijk nooit verloren, zolang je maar initiatief neemt', aldus Stephan van den Berg, die het na een aantal jaren als profsurfer weer op de Olympische plank gaat proberen met als doel de gouden medaille op de Spelen van Barcelona in 1992. Na het behalen van zes achtereenvolgende wereldtitels en goud op de Olympische Spelen van 1984, besloot de 28-jarige Van den Berg om beroepssurfer te worden. Hoewel hij in 1986 op een tweede plaats eindigde in het profcircuit, is het tactische inzicht van de Nederlander daar nooit volledig tot zijn recht gekomen. Vaak moest Van den Berg toezien hoe de winst die hij op de meer zeiltechnische onderdelen behaalde teniet werd gedaan door typische brandingsurfers als Robby Naish, die al vanaf zijn achtste levensjaar op de reusachtige golven voor de kust van Hawai surft.

De wedstrijden voor profs zijn in verschillende disciplines verdeeld. De snelheidswedstrijd rond de boeien vormt daarbij slechts een onderdeel. Voor de diverse onderdelen worden speciale planken vervaardigd, hetgeen betekent dat voor een wedstrijdserie gemiddeld zes planken en 300 kg materiaal moet worden aangesleept. In een seizoen draaide Van den Berg er soms wel dertig verschillende planken doorheen, hetgeen aanzienlijke sponsorbedragen noodzakelijk maakte.

Beach-cult

Door met fluor-kleding rond te lopen en deel te nemen aan de overdreven beach-cult wist Van den Berg zich weliswaar staande te houden, maar nu heeft hij genoeg van de onzekere status van het profsurfen en de zware eisen die aan het lichaam worden gesteld. Door alleen nog maar mee te doen aan evenementen die door de internationale zeilbond (IYRU) zijn erkend en terug te treden als professional, is Van den Berg als amateur gerechtigd aan alle belangrijke kwalificatiewedstrijden deel te nemen: Hyeres, Medemblik, de EK, WK en eventueel de pre-Olympics indien hij zich in deze wedstrijden bij de eerste zes en daarmee voor de Spelen plaatst. Afgelopen weekeinde ging het perfect bij het EK in Belgie: Van den Berg werd eerste. Hij won alle ontmoetingen op de raceboard-planken, waarmee hij aantoonde nog steeds goede prestaties te kunnen leveren op de langere planken, die ook op de Spelen van Barcelona worden gebruikt.

Van den Berg is altijd een individualist in zijn sport geweest. Voorafgaande aan de Spelen van 1984 vertrok hij buiten de kernploeg om voor een periode van twee weken naar de Verenigde Staten om het wedstrijdwater alvast te verkennen. Hoewel de zeilploeg vasthield aan het idee dat het iedere dag na de lunch zou gaan waaien, ontdekte Van den Berg dat het in werkelijkheid er pas later in de middag echt wind kwam. De Nederlander stelde zich in op licht weer, hetgeen betekende dat het lichaamsgewicht een beslissende rol zou spelen. In de voorbereiding trainde hij zich daarom af van 73 kg tot een wedstrijdgewicht van minder dan 65 kg. Daarmee kon hij tijdens de start in het lichte weer de concurrentie net bijhouden, terwijl hij met zijn tactische inzicht in de aanwakkerende wind later op de middag de races overtuigend op zijn naam schreef.

De rest van de Olympische zeilploeg faalde, net als bij de Spelen van 1988 het geval was. De tactiek van de zeilers was van tevoren helemaal doorgerekend. Met een strak rekenschema in hun hoofd zouden ze op van tevoren bepaalde tijdstippen de koers wijzigen op vastgelegde posities in de baan. Volgens Van den Berg kun je de tactiek in een zeilwedstrijd echter niet van tevoren vastleggen. In zijn ogen moeten zeilers een gevoel voor het water, de wind en de stroom ontwikkelen, hetgeen slechts mogelijk is als ze er plezier in hebben vele uren vrijwillig op het water door te brengen.

Zijn verklaring voor de structureel tegenvallende prestaties van de Nederlandse zeilploeg is dat er onvoldoende sterke individuen opstaan die zich op grond van het plezier dat zij aan de sport beleven, met een flinke dosis doorzettingsvermogen naar de top zeilen. De Nederlanders proberen zich, nog steeds volgens de topsurfer, dwangmatig voor de kernploeg te kwalificeren, waardoor ze aan de belangrijke wedstrijden mogen deelnemen. Als ze dat eenmaal hebben bereikt, rijzen er hoog gespannen verwachtingen en moeten ze iedere dag het water op om zich in de kernploeg te kunnen handhaven. De druk wordt te hoog en dan wordt er geen plezier meer aan de sport beleefd. Van den Berg: 'Daarna geven de zeilers af op het beleid van de bond. Maar de tegenvallende prestaties van de Nederlandse ploeg kunnen volgens hem niet steeds maar weer op de bond worden afgeschoven.' Geen plezier 'Neem het voorbeeld van Roy Heiner. Dat is een talentvolle zeiler met grote ambities, die in de toekomst zelfs aan de America's Cup wil deelnemen. Die stapt in een boot met twee minder gemotiveerde bemanningsleden en gaat vervolgens zitten ruzien als de prestaties dan tegenvallen. Die jongen beleeft op zo'n manier geen plezier aan zijn sport.' Volgens hem wordt het psychologische aspect in de zeilsport onderschat. 'Toen ik in 1981 en 1982 samen met mijn broer oefende, ging hij in de training altijd harder. Maar in de wedstrijd bakte hij er niks van: hij kon niet tegen de druk en de spanning bij de start. Op het moment dat ik de top eenmaal had bereikt, keken andere deelnemers al met een sip gezicht zodra ik uberhaupt aan de start verscheen. In het startgebied demonstreerde ik dan mijn plankbeheersing, en dan was de wedstrijd bij voorbaat al beslist. Maar nu zal het minder gemakkelijk zijn.' Van den Berg beseft dat de concurrentie is ontzettend sterk is geworden terwijl de verschillen in de grote deelnemersvelden heel klein zijn. 'Maar ik weet wie de sterke tegenstanders zijn. Op grond van de prestaties in dit seizoen is het duidelijk dat de huidige Nederlandse surfploeg geen enkele kans maakt, terwijl ik straks met een ontspannen gevoel op de plank kan staan. Als na een half jaar training mijn plank goed begint te lopen en het zeil er netjes op staat, dan voel ik me weer helemaal happy. En dan weet ik nu al, dat ik moeilijk te kloppen ben.'