Trostkist en schrijver Sal Santen: 'Het voornaamste isnatuurlijk dat ik als jood, toch nog een gezin heb kunnen opbouwen';

Met zijn debuut Jullie is jodenvolk vestigde Sal Santen in 1969 zijn naam als chroniqueur van het vooroorlogse joodse leven in Amsterdam. Hij beschreef zijn eigen milieu: het gezin van de arme schoenmaker Barend Santen, zijn vrouw Sientje en hun drie kinderen Saartje, Sal en Maurits. Van hen overleefde alleen de auteur de bezetting. Al voor de oorlog was Sal Santen politiek actief in de radicaal-socialistische beweging. Hij trouwde met de pleegdochter van het revolutionaire Kamerlid en vakbondsleider Henk Sneevliet, maar koos na diens conflict met Trotski voor de laatste. In 1942 werd de verzetsgroep van Sneevliet verraden en door de nazi's gefusilleerd. Vlak voor zijn dood verzoenden schoonvader en schoonzoon zich.

Het lot van de joden en het trotskisme: daar draait het om in Sal Santens leven en werk. Gisteren werd hij 75. Inmiddels heeft hij meer dan tien boeken op zijn naam staan, waaronder het onthullende Adios Companeros over zijn leven als beroepsrevolutionair in de trotskistische Vierde Internationale. Nog deze maand verschijnt de verhalenbundel Een slecht geweten volgens hem zijn laatste. Zijn strijd is gestreden, zijn verhaal is verteld en wat het belangrijkste is: ' de doden leven voort, mijn kinderen hebben hun familie terug.' In het jeugdzaaltje van de Revolutionair Socialistische Arbeiders Partij (RSAP) op de Amsterdamse Nieuwmarkt sprak Sal Santen in 1935 voor het eerst met zijn politieke leider Henk Sneevliet. ' Je bent een zoon van het oude volk, als ik het goed heb, ' zei Sneevliet. Santen beaamde dat hij joods was, waarop Sneevliet antwoordde: ' Er zijn velen onder hen die de weg naar de revolutie dachten te vinden en haar met praten wilden dienen, niet door het taaie werk van alle dag.'

De twintigjarige schoenlapperszoon Salie kreeg er tranen van in zijn ogen: begon Sneevliet nu ook al? Jacques de Kadt en Sal Tas hadden de partij net de rug toegekeerd en de jonge Santen kreeg de indruk dat Sneevliet hem daarvoor aansprakelijk stelde, alleen omdat zij ook joods waren.

Santen heeft dit incident met 'oom Henk', die eind jaren dertig zijn schoonvader werd, beschreven in zijn boek Sneevliet rebel (1971). Had de legendarische revolutionair die in 1942 een heldendood stierf voor het vuurpeloton van de nazi's wellicht antisemitische trekjes? In ieder geval kwetste hij zijn jeugdige partijgenoot Sal zodanig dat deze het nu, ruim een halve eeuw later, nog steeds niet is vergeten. Op mijn vraag over Sneevliet antwoordt hij: ' Alle mensen zijn toch antisemiet. Op de meest onverwachte momenten komt het eruit. Misschien is antisemitisme niet het goede woord, zeker niet als je het over Sneevliet hebt, maar bijna alle mensen hebben de meest gekke opvattingen over joden. Sneevliets opmerking heeft mij toen heel erg gegriefd. Misschien is zelfs het feit dat ik trotskist ben geworden er door beinvloed. Trotski was een jood.' Deze opmerking over de relatie tussen zijn jood-zijn en zijn trotskisme is nieuw voor me, maar ze typeert Sal Santen: het schlemielige jodenjongetje dat zich schaamde omdat hij besneden was, maakte gedurende zijn volwassen leven zijn jood-zijn consequent ondergeschikt aan de revolutionaire strijd om vervolgens een in tederheid ongeevenaard literair monument op te richten voor zijn door de nazi's vermoorde familie. En terwijl hij nu nog steeds volhoudt dat hij zich 'niet joods voelt', dat het 'niets voor hem betekent', laat hij zich in het vuur van het gesprek ontglippen dat zijn jood-zijn niet ondergeschikt was aan zijn politieke keuze, maar dat misschien eerder het omgekeerde het geval is geweest.

Huilen

Gisteren is Sal Santen 75 geworden en hij is 'uitgeschreven' zoals hij het zelf noemt. De afgelopen week heeft hij de laatste hand gelegd aan de drukproeven van zijn nieuwe verhalenbundel die nog deze maand bij de Bezige Bij verschijnt. De thematiek is goeddeels dezelfde als die van zijn andere boeken: de oorlog, herinneringen aan en verdriet over zijn niet teruggekeerde familieleden, zijn werk voor de trotskistische Vierde Internationale en door dat alles heen het schuldgevoel van de overlevende. Zijn vorige boek heette De B van bemazzel: alleen wie dat stempel, dat 'geluksvogel' betekent, in z'n persoonsbewijs had staan, maakte kans te overleven. Sal Santen had kennelijk dat onzichtbare stempel, wat niet wegneemt dat het boek waarin hij zijn overleven beschrijft alleen met pijn en veel tranen te lezen valt.

Als ik hem vraag of overleven wel zo'n 'mazzel' is, geeft hij niet meteen antwoord. ' Ik heb zelf op het moment ook het gevoel dat ik zou kunnen huilen, ' zegt hij. ' Mijn nieuwe boek heet Een slecht geweten, dat heeft alles te maken met die thematiek. Er is een brief in opgenomen met als titel 'Joodse schrijvers' die ik heb gestuurd aan The International Herald Tribune naar aanleiding van de zelfmoord van Primo Levi. Het was een reactie op een brief van William Styron, de schrijver van Sophie's choice, die beweerd had dat zelfmoordpogingen vaak voortkomen uit een ziekte die onvoorstelbare pijn veroorzaakt. Een dergelijke pijn heb ik ook gehad, begin jaren zeventig.

Hij had net een zware operatie achter de rug en terwijl ik eigenlijk uit moest rusten had ik een boek voltooid over Het Vrije Volk waar ik had gewerkt als stenograaf. Ik had een arbeidsconflict beschreven waarbij banen op het spel stonden en de directiemethoden van verdeel en heers vergeleken met het optreden van de nazi's. Bij het ontslaan van mensen was sprake van volstrekte willekeur. Net als in de oorlog: toen kreeg ik een stempel dat ik gemengd gehuwd was, wat mijn leven redde. Mijn moeder kreeg een ziekenstempel, waardoor ze zich eventjes veilig kon voelen. Maar van de ene op de andere dag werd haar stempel ongeldig en is ze, ziek en wel, weggevoerd. Toen ik die vergelijking had opgeschreven kreeg ik een verschrikkelijke, onbeschrijfelijke, onhoudbare pijn in m'n borst. Ik had zoiets nog nooit meegemaakt. Vreselijk! Het enige wat ik kon doen was er een eind aan maken, zo erg was het. ' Laten ze me opsluiten in paviljoen drie of zo, ' zei ik, want ik wilde het water voor ons huis inlopen, zo erg was de pijn geworden. Bep, mijn vrouw, heeft me toen meegenomen naar onze huisdokter en die heeft me nog dezelfde dag doorverwezen naar Coen van Emde Boas, de psychiater bij wie ik in de oorlog in therapie ben geweest. Hem heb ik het hele verhaal over de arrestatie van mijn moeder verteld, dat ze werd weggehaald, waar ik altijd pijn van heb, altijd verdriet ... Ik heb toen voor de keus gestaan om met haar mee te gaan naar Polen of bij mijn vrouw en dochtertje te blijven. En toen zei hij: Ja, maar het was een situatie van to be or not to be, van met je moeder meegaan naar de hel of thuis blijven bij Bep en Ellen die toen nog klein was. Dat was de oorzaak van die pijn, ik werd helemaal verscheurd, echt verscheurd. Maar na de woorden van Van Emde Boas verdween de pijn, als een wonder. Hij heeft mij het advies gegeven door te gaan als schrijver, wat ik heb gedaan en tot aan zijn dood heb ik bij hem groepstherapie gedaan.'

Psychoanalyse

De eerste zin van Santens boek De B van Bemazzel luidt: ' Ik weet nu zeker, dat de bezetting tot mijn impotentie heeft geleid. Het geeft me een rampzalig gevoel, dat al mijn handelen doordringt.'

Het was oorlog en Santen belandde met zijn probleem bij Van Emde Boas' jeugdige assistent Eddy de Wind die hem in analyse nam. De behandeling, gedurende de oorlog overgenomen door Van Emde Boas zelf, werd pas in l948 beeindigd. De psychiater wilde toen al dat hij aan een groepstherapie ging deelnemen, maar dat kon niet omdat Santen actief was in de Vierde Internationale en hij niet vrijuit met anderen kon praten. Tijdens de oorlog was het omgekeerd: hij kon toen een tijdlang niet deelnemen aan het illegale werk omdat zijn psychiater hem dat verbood.

Ik vraag Santen of zijn langdurige analyse er toe heeft bijgedragen dat hij zo direct kan schrijven over de allerintiemste zaken en pijnlijkste herinneringen. De arrestatie van zijn moeder Sientje, het afscheid van vader Barend, de deportatie van Maurits zijn broer: hij heeft het allemaal vele malen beschreven op een dermate aangrijpende manier dat je je afvraagt wat het hem niet heeft gekost. Santen: ' Het heeft heel lang geduurd voor ik er over kon praten. Eerst ben ik politiek actief geweest, vreselijk actief. Je kunt geen vrede vinden met wat er gebeurd is, dus je leeft het politiek uit. Alleen mijn vrouw Bep en ik wij wisten het. De kinderen wisten het ook niet, dat hebben ze me ook verweten. Pas later ben ik er over gaan praten, pas toen ik onder behandeling was en tijdens de behandeling ben ik het op gaan schrijven. Oorspronkelijk deed ik het voor de kinderen. Alleen Ellen, de oudste, heeft m'n ouders en mijn broer gekend toen ze nog heel klein was. De andere twee niet. In zekere zin waren het weeskinderen, maar die hebben vaak nog herinneringen en zij hadden niets.

Zijn dochter, het oorlogskindje Ellen Santen, schreef in 1983 zelf een boek: Aan twee minuten heb ik niet genoeg. Op zoek naar mijn joodse oorsprong. Daarin vertelt ze dat ze al jong leerde om trots te zijn op haar oom Henk Sneevliet en op andere verzetsdoden. ' Maar het verdriet om de joden werd niet benoemd.' ' Dat is waar, ' zegt haar vader nu, ' dat was te pijnlijk. Je wist je er geen raad mee. Later heb ik haar de brieven van en aan mijn voor de oorlog gestorven zusje Saartje gegeven, ik schrijf er over in mijn nieuwe bundel. Ellen heeft ze in haar boekje verwerkt en daar was ik zo blij mee!' Met zijn laatste bundel is Santen, zoals hij het zelf noemt, uitgeschreven, althans wat zijn familie en de oorlog betreft. ' Ik doe het niet meer. Het kost me emotioneel te veel, ' zegt hij. Als ik opper dat dat misschien komt omdat hij te veel wil, te zeer zichzelf bloot wil geven, protesteert hij omdat het de kern raakt van zijn werk. ' Als je ergens over wilt schrijven, vertel het dan in godsnaam maar. Spring maar in het diepe. Ik schrijf zoals het in me opkomt. Zoals Sneevliet schreef vlak voor hij werd gefusilleerd: Dapper zijn omdat het goed is. En dan zeg ik tegen me zelf: Sal wees dapper omdat het goed is, echt waar, zo spreek ik mezelf moed in.' Primo Levi, volgens Santen 'een van de heel grote joodse schrijvers', de man die als een van de eersten zijn concentratiekampervaringen te boek stelde, keert voortdurend terug in ons gesprek. Hij had ook moed, maar de schaamte en het schuldgevoel werden er niet door verdreven: in 1987 pleegde hij zelfmoord.

Ik vergelijk hem met Sal Santen, zal het bij hem ooit overgaan, houdt voor hem de kwelling ooit op? Santen aarzelt even en dan, nog heser dan hij gewoonlijk al is: ' Nou, misschien wel. Met deze verhalenbundel waarin ik mijn crisis heb beschreven, ben ik er wel voor een stuk doorheen. Dat geloof ik wel. Gelukkig heb ik erover geschreven en dat is, zeker voor een trotskist, heel bijzonder. Want daar sprak je niet over in de beweging. Over dat soort persoonlijke dingen mocht je niet praten. Je hebt de partijdiscipline en als je die schendt ben je een denunciant of hoe je dat ook wilt noemen. Dus wordt er niet over gepraat of geschreven. Victor Serge heeft het gedaan voor de oorlog. Maar ik ben sinds Serge de eerste, niet alleen in Nederland maar internationaal, en van heel dicht bij want ik zat in de internationale leiding van de Vierde Internationale. Ja, om op zo'n manier te schrijven heb je net zoveel moed nodig als bijvoorbeeld indertijd voor de hulp aan de Algerijnse vrijheidsstrijd.

Revolutie

Van zijn 15de tot zijn 53ste is Sal Santen politiek actief geweest: in de vakbeweging, de AJC, de OSP, de RSAP, het verzet en uiteindelijk de Vierde Internationale, waarvan hij geruime tijd, als rechterhand van de secretaris Michel Raptis, een van de belangrijkste leiders was. Op verzoek van Raptis ging Santen in 1953 naar Latijns Amerika om daar de revolutionaire strijd mede te organiseren. Zeven jaar later werd hij samen met Raptis in Amsterdam gearresteerd op verdenking van het drukken van vals geld en valse persoonsbewijzen ten behoeve van de Algerijnse bevrijdingsbeweging FNL. Ze zaten een jaar in voorarrest en in het grootste politieke proces sinds de Tweede Wereldoorlog werden ze vervolgens veroordeeld tot vijftien maanden. In de documentaire die de cineast Rudolf van den Berg in 1982 over Santen maakte, kwam naar voren hoe ook in deze affaire de oorlog een rol speelde. Santen herhaalde daarin hoe hij tegenover de rechter het vervalsen van persoonsbewijzen verdedigd had: uit eigen ervaring wist hij dat 'zo'n vodje' van levensbelang kon zijn.

Eind jaren zestig brak Sal Santen met de Vierde Internationale. Niet om politieke redenen maar omdat hij het persoonlijk niet meer aan kon. Hij stortte in en zijn 'kameraden', inclusief Raptis, lieten hem stikken. Sindsdien is Santen schrijver, maar zijn hart gaat nog altijd uit naar de 'schlemielen' en naar de revolutie die hun lot moet verbeteren. In de documentaire van Rudolf van den Berg trad ook Raptis op: een akelige kille man die er geen been in zag zijn oude strijdmakker Santen voor het oog van de camera diep te vernederen. Toch voelt Santen ook nu nog de behoefte om Raptis te verdedigen: ' Hij was degeen die het eerste gezien heeft dat het stalinisme naar de ondergang ging, hij zag dat als allereerste.'

En als ik tegenwerp dat de manier waarop Raptis met zijn partijgenoten omging niet erg verschilde van die van bijvoorbeeld de voormalige CPN-leider Paul de Groot wordt hij zelfs een beetje boos: ' Het gaat erom of iemand een historische rol speelt en of zo iemand nou sympathiek is of onsympathiek doet er niet toe.'

Santen zelf, zo blijkt wel uit zijn boeken, is in ieder geval te sympathiek geweest om een dergelijke 'historische rol' te kunnen spelen. Maar hij is er niet verbitterd om. Als ik hem vraag of hij na 75 jaar een balans op kan maken van zijn leven, vergeet hij zelfs zijn politieke inspanningen te vermelden. ' Het voornaamste, ' zegt hij, ' is mijn gezin. Ik heb een heel waardevol gezin. Dat is natuurlijk heel belangrijk, als jood, dat ik toch nog een gezin heb kunnen opbouwen. Dat ik de enige geweest ben van mijn vaders kant, die dat heeft kunnen doen. En verder... ik ben schrijver geworden.'