Oude grensgeschillen geven actie van Saddam Hussein aura van legitimiteit; Status Koeweit al 100 jaar omstreden

LEIDEN, 4 aug. Toen de Britten in 1963 hun protectoraat over Koeweit ophieven, geraakte men in Bagdad in grote opwinding. De zittende heerser van Irak, generaal abd el-Karim Kassem, had al enige tijd laten weten geen onafhankelijk Koeweit naast Irak te zullen dulden. Tanks en vliegtuigen werden vanuit Bagdad naar Basra gedirigeerd om, zodra de laatste Britse militair uit Koeweit was weggetrokken, het sjeikdom te bezetten. De sjeik van Koeweit vroeg en kreeg hulp, en wel onmiddellijk. De Britten stuurden hun militairen terug. Ook Egyptes president Nasser stuurde soldaten, alsmede Jordanie en Saoedi-Arabie.

Het was een unieke actie, vooral omdat de regeringen van de betrokken landen elkaar elders in de regio stevig en vaak bloedig in de haren zaten. Maar over een ding waren ze het eens, onder geen beding mocht Irak Koeweit annexeren. Kassem haalde bakzeil en dat betekende het begin van het einde van zijn bewind. De crisis van 1963 was niet de eerste Koeweit-crisis. Er zijn de afgelopen eeuw verschillende geweest, ook in de tijd dat Koeweit nog geen steenrijk olieland was.

Toen de Iraakse koning Feisal I van Irak in 1933 overleed, werd er in Bagdad niet erg gerouwd. Populair was de vorst nooit geweest. De meeste bewoners van het kersverse koninkrijk zagen hem als een Britse marionet, op de troon gezet door Britse bajonetten. Een stabiele eenheid was Feisals koninkrijk allerminst. Met bommen en geschut moest de Britse Royal Airforce de shi'itische stammen langs Eufraat en Tigris en de niet-Arabische Koerden in de bergen van het noorden dwingen zich bij het nieuwe koninkrijk neer te leggen. Etnisch en religieus was Irak een bijeengeveegd monstrum. De Britten hadden het samengesteld uit de tussen 1915 en 1918 op Turkije veroverde provincies Mosoel, Bagdad en Basra. In Mosoel woonden voornamelijk Koerden, in Basra shi'iten, terwijl de bevolking van de stad Bagdad in meerderheid joods was. Binnen het Turkse rijk, met zijn 'checks and balances' tussen de bevolkingsgroepen, gold Mesopotamie als achterlijk, maar niet al te onrustig. Iraks belangrijkste ontstaansoorzaak was het veiligstellen van de Britse oliebelangen in het door Koerden en Turken bewoonde district Kirkoek. Daar was men in Londen heel duidelijk over.

Feisal, die onder toezicht van T. E. Lawrence (of Arabia) de 'Arabische opstand' tegen de Turkse sultan had geleid, was tijdens de buitverdeling na de oorlog tussen de wal en het schip geraakt. Er viel een ereschuld te delgen. En zo ontving hij in 1921 in Kairo uit handen van Sir Winston Churchill, Brits minister van kolonien, de luttele dagen daarvoor opgerichte troon van Irak. Bij zijn inhuldiging in Bagdad bleek de haast, waarmee dat was geschied. De naam van het Japanse biermerk Asahi stond nog op de houten rugleuning te lezen. Zijn nieuwe onderdanen maakten Feisal meer dan duidelijk wat zij van hem vonden. Opgetrommelde stamhoofden legden de eed van trouw af met de woorden: 'O, Feisal, wij zweren u trouw omdat gij door Engeland zijt aanvaard.'

Wegens de hitte werd de plechtigheid 's morgens om 6 uur gehouden. Laatkomers werden door Brits-Indische veiligheidstroepen hardhandig verdreven, 'were rightly not admitted, ' schreef de Times. Terecht. Zij hadden daar niets te maken. Feisal zelf wist zijn imago van 'Brits marionet' niet van zich af te schudden. Maar zijn opvolger Ghazi wist een oplossing. Hij maakte gebruik van het beproefde middel, binnenlandse populariteit te verwerven door het voeren van een 'gedurfde' buitenlandse politiek. Technisch vernuft kon men Ghazi niet ontzeggen. Zo sloot hij, om zijn gasten te verrassen, de koperen trapleuningen van zijn paleisje aan op het Bagdadse elektriciteitsnet. Maar als koning ontdekte hij een nog boeiender hobby. In de tuin van de koninklijke villa verrees een radiozendmast, gericht op het sjeikdom Koeweit. Ghazi zelf hanteerde de microfoon en zo konden Koeweiti's, die over een radiotoestel beschikten, de Iraakse koning hen horen oproepen in opstand te komen tegen sjeik al-Sabah en diens Britse beschermers, om zich aan te kunnen sluiten bij het 'eeuwige en onvergankelijke Iraakse moederland, waarvan gij nu reeds een generatie lang zijt afgesplitst. ' De koninklijke uitzendingen stopten pas op 4 april 1939, toen Ghazi tegen een boom reed, volgens sommigen wegens onklaar gemaakte remmen.

Ghazi's toespraken hadden een blijvende invloed in Irak. De opeenvolgende heersers in Bagdad hebben sindsdien steeds aanspraken op Koeweit of delen ervan gemaakt. In 1941 maakte een aantal officieren rond Rashid Ali al-Gaylani zich van de macht meester en hernieuwden Ghazi's claim. Kroonprins Abd el-Illah, door de Britten in zijn waardigheid van regent hersteld, had persoonlijk meer interesse in de annexatie van Syrie, maar de aanspraken op Koeweit trok hij nooit in. Nadat Abd el-Illah en zijn pupil Feisal II in de nacht van 14 juli 1958 in een paleistuin door opstandige troepen met kogels waren doorzeefd, nam Iraks nieuwe leider generaal Kassem, de claim op Koeweit over. Kassem zelf werd in februari 1963 tijdens een bloedige coup vermoord en pas toen leek een oplossing voor het Koeweitse probleem in zicht.

Kassems opvolger generaal Aref, een bewonderaar van Nasser, erkende op diens aansporingen de zelfstandigheid van Koeweit, maar liet de zaak van de grenzen open. In de jaren zeventig kwam het bewind van Saddam Husseins oom, generaal Hassan al-Bakr, op de grenskwestie terug. Het kwam tot verscheidene bloedige incidenten en als Saddam Hussein zich niet in zijn acht jaar durende Iraanse avontuur had gestort, was het misschien al eerder op een Iraaks-Koeweitse oorlog uitgelopen.

Irak mag een produkt zijn van de Eerste Wereldoorlog, ook Koeweit is het resultaat van de Europese koloniale machtspolitiek. Koeweit zelf is vrij oud. Zo rond 1700 besloten leden van de Anaiza-stam zich blijvend te vestigen aan de kust in wat nu Koeweit is. Zij verlieten hun traditionele weidegebieden in het huidige grensgebied van Irak en Saoedi-Arabie en begonnen zich toe te leggen op de handel en de parelvisserij.

In 1756 besloten de bewoners van het nieuwe dorp een sjeik te kiezen uit de prominenten van de familie van de al-Sabahs, die hun belangen moest behartigen en de contacten moest onderhouden met de Turkse gouverneur van Basra. Zo rond 1800 was Koeweit uitgegroeid tot een alleszins welvarend stadje. De sjeiks van Koeweit vroegen en kregen de Turkse titel van Kaimakam, prefect. In 1896, toen sjeik Mubarak al-Sabah in een bloedige paleiscoup in Koeweit de macht greep, overwoog de Turkse gouverneur van Basra het sjeikdom definitief bij zijn provincie te voegen. Pas na veel steekpenningen kreeg de nieuwe sjeik zijn erkenning als Kaimakam, met ingeperkte bevoegdheden. Volgens de Britse consul in Basra was daarmee 'elke mogelijkheid voor welke vreemde mogendheid ook Koeweit als onafhankelijke staat te erkennen, definitief uitgesloten.'

Koeweit was daarmee geworden tot een zelfbesturende prefectuur van de Turkse provincie Basra, in het Turkse rijk geen ongebruikelijke constructie. Dat niet alleen Engeland dat zo zag, maar ook de andere Europese mogendheden, bleek al snel. In 1898 kreeg de Britse ambassadeur in Constantinopel 'met aan bezorgdheid grenzende belangstelling' lucht van een Russisch plan een spoorweg te bouwen tussen de Middellandse Zee en de Perzische Golf. Tegelijkertijd begon ook de keizerlijke regering in Berlijn steeds meer belangstelling te tonen voor het Turkse rijk, uitmondend in de plannen voor de 'Berlin-Bagdad-Bahn'. Al in 1887 had de toenmalige Britse ambassadeur in Constantinopel, Sir William White de regering in Londen in een memorandum voorgehouden dat van zo'n spoorweg alleen sprake zou kunnen zijn, als Groot-Brittannie die onder zijn hoede had. 'Onze oppermacht in de Perzische Golf is van levensbelang voor onze positie in India', luidde Whites stelling.

Zowel het Russische als het Duitse plan had Koeweit als eindpunt, voor de Britten onverteerbaar. In 1899 ging Turkije na hevige druk voor Engeland door de knieen. Het gaf zijn aanspraken op Koeweit op, waarna sjeik Mubarak als zelfstandig potentaat een protectoraatsverdrag met de Britten afsloot, zoals de sjeiks in het zuiden van de Perzische Golf al vele jaren eerder hadden gedaan. De grens tussen de Turkse provincie Basra en de nieuwe staat Koeweit zou lopen door de diepe kreek, die het Arabisch schiereiland van het zuiden van de provincie Basra scheidt. In die kreek bevonden zich twee grote zandplaten, Bobiyan en Warba, die in Turkse ogen tot Basra bleven behoren. Vandaar dat de Iraakse politiek ten opzichte van Koeweit jarenlang op twee gedachten hinkte. Volgens de ene idee behoorde Koeweit tot Basra en was daar op slinkse wijze door de Britten van losgemaakt. Anderen wilden die losmaking wel erkennen, maar hielden staande dat de eilandjes Bobiyan en Warba onlosmakelijk tot Basra waren blijven behoren en dat Koeweit ze onrechtmatig bezette. Irak heeft altijd groot belang aan die eilandjes gehecht. Niet alleen zou de smalle Iraakse kustlijn er enige tientallen kilometers mee worden uitgebreid, Irak zou zich er een betrouwbare diepzeehaven mee verwerven, die het nu niet heeft. Het eigendom van Bobiyan en Warba is natuurlijk niet de werkelijke reden voor Saddam Husseins brute verovering van Koeweit. De ambities van de bloeddorstige Iraakse dictator reiken heel wat verder. Maar in Irak zelf geeft het de actie van Saddam Hussein een aura van legitimiteit.