Onderwijs voor volwassenen steeds belangrijker

UTRECHT, 4 aug. Vergeleken met andere Europese landen besteedt Nederland weinig geld aan onderwijs voor volwassenen. De totale overheidsuitgaven voor onderwijs horen met 6,7 procent van het bruto nationaal produkt tot de hoogste van Europa, maar slechts 5 procent daarvan wordt besteed aan volwasseneneducatie (0,17 procent van het BNP). Door nieuwe wetgeving is Nederland nu bezig de achterstand in te halen. Het deelgebied van het algemene, niet-beroepsgerichte onderwijs voor volwassenen is al wel goed ontwikkeld.

Dit blijkt uit 'Volwasseneneducatie in Europa', een studie door het Adviescentrum Volwasseneneducatie over het onderwijs voor volwassenen in een aantal EG-landen en Zweden. Het onderzoek, dat volgende week verschijnt, is het eerste in zijn soort en bedoeld om de Nederlandse situatie in een Europees perspectief te plaatsen.

Het belang van volwasseneneducatie neemt in veel landen toe. Het is een middel om de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt te verbeteren, de werkloosheid te bestrijden en de kennis van het werkende deel van de beroepsbevolking op peil te houden en te verbeteren.

Uit de studie van het adviescentrum komt naar voren dat Groot-Brittanie, West-Duitsland, Frankrijk, Zweden en Denemarken eerder dan Nederland zijn begonnen hun systemen van volwasseneneducatie af te stemmen op sociaal-economische behoeften. Zo besteedt West-Duitsland 10 procent van de onderwijsuitgaven aan volwassenen, Zweden zelfs 15 procent. Ook wanneer de uitgaven van het bedrijfsleven worden meegerekend blijven de Nederlandse uitgaven aan de lage kant: 1 procent van het BNP, versus 1,4 procent in Frankrijk en 2 procent in West-Duitsland. Alleen Belgie geeft even weinig aan volwasseneneducatie uit als Nederland. Volgens directeur E. A. W Crince le Roy van het Adviescentrum Volwasseneneducatie is de voornaamste oorzaak hiervan dat de samenwerking tussen de ministeries van WVC (dat jaarlijks 70 miljoen gulden aan volwasseneneducatie besteedt), onderwijs en wetenschappen (450 miljoen) en sociale zaken (500 miljoen) pas heel laat van de grond is gekomen. Crince le Roy: 'In Nederland is lang geruzied over competenties. Landen als Frankrijk en Groot-Brittanie gingen in die tijd gewoon aan de slag.'

Een voorbeeld van dat laatste is de Franse 'Wet van 1971', die alle bedrijven met meer dan tien werknemers verplicht om 1,2 procent van de loonsom te besteden aan scholing. Zestien jaar later besteedde het bedrijfsleven in Frankrijk niet 1,2 maar 2,5 procent van de loonsom aan scholing en werd jaarlijks een derde van de werknemers bijgeschoold. In Nederland gaat het om 1,5 procent (2,3 miljard gulden) en een kwart van de werknemers.

Aan de andere kant van het Kanaal zette Groot-Brittanie een gedecentraliseerd systeem van Local Educational Authorities op. Polytechnics en universiteiten verkopen er sinds jaar en dag opleidingen 'op maat' aan het bedrijfsleven. Zweden ging nog verder. Daar overleggen in 24 regionale organisaties overheid, werkgevers en werknemers over de behoefte aan beroepsgerichte scholing (de zogeheten tripartisering). Een aanzienlijk deel van dit onderwijs wordt verzorgd door scholingscentra van de overheid, vaak ook door lokale scholen. In het Nederlandse onderwijs voor volwassenen worden nu ook begrippen als regionalisering, tripartisering en contractonderwijs geintroduceerd.

West-Duitsland, als federale republiek per definitie geregionaliseerd, heeft op nog een andere manier ingespeeld op de behoefte aan scholing. In dat land verzorgen de branche- en beroepsorganisaties (de 'Kammern') opleidingen die voortbouwen op het leerlingwezen en die maatschappelijk belangrijke kwalificaties opleveren als 'Meister' in industrie of ambacht en 'Fachkaufman' in de handel. Ook in Nederland is het leerlingwezen onlangs opengesteld voor volwassenen. Volgens Crince le Roy nemen landen trends van elkaar over 'als gezamenlijke oplossing voor vergelijkbare problemen'.

Hierbij is Nederland 'bezig aan een inhaalmanoeuvre', nu overheid, werkgevers en werknemers elkaar hebben gevonden in de arbeidsvoorziening-nieuwe-stijl, waarbij scholing regionaal en onder gezamenlijke verantwoordelijkheid zal worden geregeld. Enige ervaring is inmiddels opgedaan in de Primaire Beroepsgerichte Volwasseneneducatie, regionale samenwerkingsverbanden van streekscholen, Kamers van Koophandel, GAB's en scholingscentra van het ministerie van sociale zaken. Verder ligt er een aantal wetsvoorstellen klaar dat de volwasseneneducatie moet stroomlijnen, zoals de Kaderwet Volwasseneneducatie, de Wet Voortgezet Algemeen Volwassenenonderwijs en de Wet op het Cursorisch Beroepsonderwijs.

Volgens Crince le Roy is dit louter te danken aan economische noodzaak. Nederland heeft een van de hoogste werkloosheidspercentages van de onderzochte landen en met 59 procent de laagste arbeidsmarktparticipatie van de beroepsbevolking. Crince le Roy: 'We hebben elkaar lange tijd met termen bestookt waar de verkokering van afdroop. Nu spreken we een taal: de sociaal-economische.' Verkokering was er minder op het gebied van de algemene, niet-beroepsgerichte volwasseneneducatie, waar niet zoveel partijen bij betrokken zijn. Hier loopt Nederland wel in de pas met de onderzochte landen.

Dankzij de algemene volwasseneneducatie en het daarin sterk vertegenwoordigde particuliere onderwijs (zoals het LOI) komt Nederland wat deelname aan volwasseneneducatie betreft toch nog op een middenpositie uit. Een vijfde tot een zesde van de volwassen Nederlandse bevolking volgt onderwijs. Dat ligt alleen hoger in Zweden en Denemarken (een derde) en in West-Duitsland (een kwart). Basiseducatie (volwasseneneducatie op het meest elementaire niveau) en Open Universiteit doen het even goed, zo niet beter dan elders. Zweden en Nederland zijn de enige landen waar de basiseducatie wettelijk is geregeld en in eigen instellingen wordt verzorgd. De Open Universiteit heeft 44.000 cursisten, drie keer zoveel als het aantal deeltijdstudenten aan de universiteiten.

Het recente voorstel van minister Ritzen om studenten ouder dan 26 jaar in de toekomst zo'n 7.000 gulden collegegeld te laten betalen 'omdat we voor hen de Open Universiteit hebben', heeft de medewerkers van het Adviescentrum Volwasseneneducatie dan ook verbaasd. Crince le Roy: 'De Open Universiteit doet het sowieso wel goed. Andere landen proberen juist meer volwassenen naar de universiteit te halen.'

Het meest uitgesproken voorbeeld daarvan is Zweden, waar iedereen van 25 jaar en ouder met ten minste vier jaar werkervaring naar de universiteit mag. Tien jaar geleden al behoorde meer dan de helft van de Zweedse studenten tot die categorie. In andere landen organiseren universiteiten speciale voorbereidingscursussen, veranderen de toelatingseisen of geven cursussen 'algemene ontwikkeling'.