HET RAD VAN AVONTUUR

Elke dag droeg Gerrit Vader een schone blouse, omdat zijn moeder hem, haar enig kind, als een pop vertroetelde. Er zat ongetwijfeld vet in zijn haar, want het raakte nooit in de war, en zijn schoenen glommen je toe. Als wij door een plas baggerden, liep hij eromheen, totdat we het niet meer konden verdragen. Dan lichtte een van ons hem een pootje, een ander gaf hem een duw, en voor hij het wist lag hij midden in de plas water.

Dat gebeurde zeker eens per week. Elke keer liep hij huilend naar huis, om zich bij zijn moeder te beklagen. Haar sterkste wapen was een gang naar onze ouders, die ons terechtwezen, soms heel hardhandig.

De verleiding was evenwel groter dan het resultaat van het pedagogisch ingrijpen, en dus kwam Gerrit opnieuw ten val, in de modder of in een hoop hondepoep.

Omdat ik zelf ook vaak het slachtoffer was van pesterij, was de aandacht van mijn vriendjes voor Gerrit een welkome afleiding en ik deed braaf mee. Zwakheid, kwetsbaarheid maakt laf. Dat zou ik op mijn beurt ondervinden, toen Gerrit, uit al zijn belagers, mij eruit pikte en riep: 'Rotjood'. Nu moest ik wel met hem vechten, en samen rolden we over de grond, totdat ik boven lag. Hij hield zich bewusteloos, alleen het trillen van zijn lichaam verried zijn toestand.

Ineens voelde ik een trap in mijn rug, stond op, en kreeg opnieuw een schop, nu in mijn lies.

De moeder van Gerrit stond hijgend voor me.

Heel veel jaren later kwam ik ze tegen, moeder en zoon, op een boottocht van de vakbeweging. Wij voeren door het Noordzeekanaal op een schip dat het midden hield tussen een dekschuit en een Mississippiboot. Op het dek en in de kajuit krioelde het van de feestgangers. Er werd een polka gedanst op de klanken van een trekharmonika, waarvan de tonen zich over het klotsende water verdunden en wegstierven.

Het hoogtepunt van de vreugde, aan het eind van de tocht, was een loterij. De prijzen waren door de vakbondsleden zelf vervaardigd. Ter wille van het goeie doel kocht ik tien lootjes.

De man aan het rad van avontuur kwam me bekend voor, maar ik kon hem niet thuisbrengen. Hij trok aan het ratelende wiel, prees luidruchtig zijn laatste loten aan, en weer knaagde zijn hoge stem aan mijn herinnering.

De hoofdprijs was een enorme staande schemerlamp, waarvan de kap uit aan elkaar bevestigde stukken triplex bestond, die door een figuurzaag doorzichtig waren gemaakt: poppetjes, beestjes, tierelantijntjes waren uit het hout verwijderd, en vormden een vrolijk geheel. De binnenkant van de kap was bekleed met rode kunstzijde.

Het pronkstuk was nu aan de beurt om te worden verloot, en steeds opnieuw joeg de man het rad in het rond, totdat tenslotte de wijzer bleef staan op een nummer waar ik niet eens naar keek.

Al enige keren was het door een scheepstoeter omgeroepen, zonder dat de gelukkige winnaar kwam opdagen. Nu moest iedereen zijn lootjes controleren.

Tot mijn schrik had ik het lot getrokken.

Onder gejuich liep ik naar de man aan het rad die mij de lampekap zou overhandigen. Toen ik voor hem stond, bleef hij mij evenwel langdurig aankijken, toen riep hij naar een oudere vrouw achter hem: 'Moeder, dat is Salie, van de Zonneweg, weet je nog? Van de schoes... Ken je mij niet meer? Ik ben Gerrit, Gerrit Vader uit de Maanstraat. Jongen, wat ben ik blij je te zien. Dan ben je goed de oorlog doorgekomen. We hebben het vaak over je gehad.' Uit Sal Santen: Een slecht geweten. Verschijnt binnenkort bij uitgeverij De Bezige Bij