Gedreven Marks en Spencer expandeert

Het beste nieuws van de afgelopen dagen stond op de economische pagina. Het luidde dat de Britse warenhuisketen Marks en Spencer zich begin volgend jaar ook in Nederland zal vestigen om te beginnen in Amsterdam en daarna, bij gebleken succes, in Den Haag, Eindhoven, Utrecht, Maastricht en Rotterdam. Dat betekent dat ik mijn voornaamste kledingaankopen niet meer in Londen behoef te doen.

Het bovenstaande is aanzienlijk minder snobbish dan het lijkt. Amsterdam valt, qua assortiment, in twee kampen uiteen: aan de ene kant de prijzige kledij van klassieke of hoogst modieuze snit, aan de andere kant de dumpkleding voor het jonge volkje. Daartussen bevindt zich een niemandsland voor wie zich tegen een redelijke prijs min of meer tijdloos wil kleden. Vaak heb ik hier geprobeerd een gewone, katoenen, slank afkledende herenbroek te kopen. De bandplooivariant met zijn ruim vallende, tamelijk vormeloze model bevalt me niet. Het andere uiterste, de geklede broek met vouw en omgeslagen rand, is me te vormelijk. De broeksoort die ik mij wens noem het nondescript is niet courant en derhalve niet voor een acceptabel bedragje te koop. Alleen bij Marks en Spencer, waar men de mode op even grote afstand volgt als ik. Elk bezoek aan Londen ging tot dusver dan ook gepaard met een bezoek aan die grote winkel in Oxford Street.

Verbastering

Marks en Spencer is een dermate vertrouwd begrip in het alledaagse Britse leven, dat de afkorting Marks voldoende is om aan te duiden wat men bedoelt. Ook wordt wel gesproken van Marks en Sparks, de rijmende, dus ooit komisch bedoelde verbastering van de firmanaam. Het bedrijf staat er bekend als vriendelijk voor klant en personeel; er wordt nooit een kwaad woord over gesproken. Het is in feite onopvallend geworden, even onopvallend als de internationale uitbreiding. Vanaf 1972 heeft men Canadese filialen, in 1975 kwam Parijs erbij. M en S omvat nu zeven winkels in Frankrijk, twee in Belgie en een in Dublin. De groei is voorzichtig. Het begin was zelfs moeizaam. 'Het is overzee onze fout geweest dat we het beleid niet hebben aangepast aan de lokale voorwaarden', schreef Marcus Sieff over de aanvangsproblemen. 'We dachten dat onze Britse beleidslijnen en praktijken buitenslands net zo goed zouden werken als thuis; we hadden ongelijk en hebben geleerd van onze fouten.' Sieff is de nu gepensioneerde president-directeur van het concern en bovendien de kleinzoon van Michael Marks die in 1884 zijn eerste winkeltje opende. Marks kwam uit een dorp nabij Bialystok en vluchtte op zijn negentiende voor de Russische jodenvervolgingen aan het eind van de vorige eeuw. Hij arriveerde in Leeds, waar hij spoedig in de handel ging. Hij leende vijf pond van een groothandelaar, kocht daarvoor goederen uit 's mans magazijn, verkocht die in de omliggende dorpen, betaalde de lening terug en kon van de winst leven.

De ondernemende jongeman opende na verloop van tijd een stalletje in de markthal van Leeds. Hij sprak nog steeds zeer gebrekkig Engels, maar het was hem opgevallen dat hij dat probleem deelde met een groot deel van de joodse gemeenschap ter plaatse. Dat leverde moeilijkheden op bij de communicatie met middenstanders; het gebruikelijke ritueel van vragen naar de prijs van verschillende goederen ging heel wat immigranten slecht af. Marks bedacht een oplossing. Hij tekende een witte krijtlijn op de plank van zijn stal en verdeelde zijn artikelen in twee helften. Aan de ene kant lag het assortiment met uiteenlopende prijs, boven de andere hing hij een bord met de tekst: Don't ask the price, it's all a penny. Het succes was dermate groot dat hij binnen enkele jaren een keten van winkeltjes had, aanvankelijk onder de naam M. Marks, the original Penny Bazaar. In 1894 haalde hij als compagnon de boekhouder Tom Spencer in de zaak.

Ideaalbeeld

De nazaten van Spencer zijn in het begin van deze eeuw al uitgekocht, de opvolgers waren achtereenvolgens een zoon en een kleinzoon van Marks. Zijn naam wordt nog steeds geeerbiedigd in het huismerk van de firma: St Michael. Ook zijn afkomst speelt nog een belangrijke rol. De drie generaties waren weliswaar niet orthodox-joods, maar hebben hartstochtelijk de zionistische zaak gediend en de zoon beantwoordde zelfs in karikaturaal opzicht aan het ideaalbeeld: hij speelde verdienstelijk viool. In zijn memoires, een paar jaar geleden gepubliceerd onder de titel Don't ask the price, vertelt Marcus Sieff dat hij in 1948 militair adviseur van Ben Goerion was en steeds in contact is gebleven met de Israelische regeerders. Op de laatste pagina noemt hij drie doelen waarnaar hij als gepensioneerde nog streeft. De eerste twee gaan over het zoeken naar een oplossing voor het Britse werkloosheidsprobleem en over het handhaven van de goede verhoudingen op de werkvloer van het bedrijf. 'De derde, en wellicht de belangrijkste, is dat ik op zijn minst een bescheiden bijdrage wil leveren aan een grotere stabiliteit en vrede in het Midden-Oosten.' Dat heeft ogenschijnlijk weinig met het assortiment van Marks en Spencer te maken en toch draagt het bij aan het beeld van die winkels. De gemiddelde grootondernemer laat zich niet snel uit over zulke onderwerpen, die het belang van de eigen toko of zelfs het algemeen economisch belang ver overtreffen. Het heeft iets aardigs om een broek te kopen bij iemand die de vrede wil dienen.