Equivalenties

Veel van de levenloze voorwerpen in een tuin - dus afgezien van de planten zelf - corresponderen op voordehandliggende wijze met objecten binnenshuis; niet alleen dat zowel buiten als binnen bedden worden aangetroffen, maar er is ook niet veel verbeelding nodig om de vijver te zien als een bad, een tuinschuurtje als het equivalent van een bezemkast, een broeikas als een soort keuken en de composthoop als een vuilnisbak - of, zo men wil, als de lege flessen die naar de glasbak moeten om weer terug te keren tot hun oorspronkelijke substantie.

Zo is er nog veel meer, maar van bepaalde tuinelementen is de identificatie minder neutraal; ik heb op zichzelf niets tegen alpenplantjes, maar als je een rotstuin eenmaal hebt gezien als het equivalent van zo'n verzameling bronzen miniatuurvoorwerpen (staande klokken, kruiwagentjes, koffiemolens, melkbussen) die in sommige vensterbanken kan worden aangetroffen, dan gaat er onherroepelijk iets van hun attractie verloren. Ook in de tuin zelf zijn uiteraard modellen mogelijk: kabouters op schommels, stenen konijntjes, draaiende windmolentjes; de equivalenten daarvan zouden kunnen bestaan uit nuttige dingen met overbodige etikettering: handdoeken met 'his' en 'hers' er op, closetpapier met opdruk als bankbiljetten, of dat belachelijke Franse objet, de 'poubelle de table'. De vijver als bad, de fontein als douche: badkamers zijn tegenwoordig wijdverbreid. Misschien kan het vogelbadje (wat is er met het vogelbadje gebeurd? Je ziet ze haast niet meer) beschouwd worden als het equivalent van de vaste wastafel. Grasvelden als een wat bewerkelijk soort vaste kleden; de grindpaden zijn dan de gangen, tuinbeelden kunnen gezien worden als schilderijen, of (kleiner, verscholen tussen planten in potten) als van die tafeltjes met familiefoto's in zilveren lijstjes, zoals in de huizen van onze grootouders.

Het moderne zomer-tuinhuis - een kamer waarvan net als in een poppenhuis de voorste muur ontbreekt - is niet het equivalent ergens van, meer een voortzetting van de zitkamer. Tenminste in beginsel, want in de praktijk is het meestal een onnut bouwsel, alleen bruikbaar als tijdelijke schuilplaats voor de regen. Veel opwindender mogelijkheden bieden grotten - zonder het practisch nut van de kelder, en heel wat vochtiger dan voor dit vertrek aanvaardbaar zou worden gevonden - met pittoresk druppelend water, glibberige stenen trappen, muren bezet met zeeschelpen en een overvloed aan varens.

Maar grotten lijken hun tijd te hebben gehad, net als ijskelders, slachtoffers van hun eigen microklimaat en van de moderne voorkeur voor droge zonneschijn boven donkere romantische vochtigheid.

De boeiendste dingen om in de tuin te hebben zijn die waarvoor binnenshuis geen equivalent bestaat; maar die hebben maar zelden iets te maken met het tuinieren zelf. Een uitzondering is vuurrode geraniums (d.w.z. pelargoniums), opgehangen op ieder beschikbaar stukje muur, of het vullen van een tuin met in de vorm van locomotieven gesnoeide wintergroene struiken. Het interessante, zoals op ieder gebied, is het exces; maar tuinen zijn minder functioneel en lijken daardoor beter bestand te zijn tegen excessen dan het binnenhuis. Het meest excessieve tuinmeubilair, voor wie er de ruimte voor heeft, is uiteraard de folly, zijnde het hoogtepunt van de drang om het landschap te verbeteren, of er tenminste zijn stempel op te zetten.

De Engelsen hebben hun platteland bezaaid met follies: torens, obelisken, pyramides, huizen in de vorm van een ananas, namaakruines (soms bewoonbare huizen verbergend, al of niet bewoond door een bezoldigde kluizenaar), tempels, zuilen, balzalen onder water, de lijst is eindeloos. Er is er een die helaas niet kan worden bezichtigd, namelijk die van Lord Merlin in The Pursuit of Love: ' De spits van een marmeren folly op een naburige heuvel bestond uit een gouden engel, die elke avond op het uur van Lord Merlins geboorte op een trompet blies (dat dit nu juist 's avonds om twintig over negen moest zijn - net te laat om er het BBC-nieuws op aan te zetten - zou in latere jaren nog een bron van plaatselijke ergernis blijken).' Deze fictieve Lord Merlin was gebaseerd op Lord Berners, die ook werkelijk een folly heeft laten bouwen: een 35 meter hoge toren, in Faringdon, Oxfordshire, in 1935. Follies zijn nu zo in de mode dat deze niet lang geleden werd gerestaureerd. De trompet was ontsproten aan de fantasie van Nancy Mitford (of van Evelyn Waugh, die in dit boek de hand schijnt te hebben gehad); hoe dan ook, de toren stond in die tijd bekend als 'de monsterachtige erectie van Lord Berners'. Follies worden nog steeds gebouwd; volgens Gwyn Headley en Wim Meulenkamp, de schrijvers van een recente studie over dit onderwerp (1), is het bouwen van een folly achter in de tuin nu de rigueur.

Zou het waar zijn? Doe mij dan maar een Gothische ruine, een pittoreske steenklomp gehuld in klimop en bewoond door vleermuizen. En door een professionele kluizenaar, in lompen en met spinnewebben in zijn haar. Het equivalent daarvan binnenshuis is uiteraard de permanente gast in de logeerkamer. Maar bezoldigde kluizenaars waren zelfs in het begin van de 19e eeuw al moeilijk te vinden. Headley en Meulenkamp vertellen hoe John ('Mad Jack') Fuller (1757-1834), verantwoordelijk voor menige folly in East Sussex, ondanks vele advertenties geen kluizenaar kon vinden om zijn Hermit's Tower te bewonen. Het is waar dat de vereisten wat buitensporig waren: '..no shaving, no washing, no cutting of hair or nails, no conversation with any outsider for a period of seven years, after which the happy hermit would be made a Gentleman'.

Niemand solliciteerde.