DE SOUFFLEUR; Hij blies acteurs hun teksten in

Hij zat er goed, de souffleur, met een compleet overzicht van wat zich op de speelvloer voordeed. Het tekstboek op de rand, het peertje aangeknipt, de leesbril op het puntje van zijn neus, uiterst geconcentreerd en voor het publiek verborgen door de halfronde kap die boven zijn hoofd was opgetrokken. Als een baken in de mist was hij daar, altijd klaar om de vergeten woorden te fluisteren die de acteur weer op het juiste spoor brachten. Een hapering, een wanhopige blik uit de ooghoeken het was voldoende om hem tot de reddende engel te maken. Samen met de spelers bouwde hij aan het complot; het was hun grootste trots als het publiek er niets van had gemerkt.

Zijn hokje was zijn koninkrijk. Uit de opening waardoor de acteurs alleen zijn hoofd en schouders zagen en de handen die de bladen omsloegen, gaf hij zwijgend zijn bevelen. Wie er echt op lette, kon de instemming op zijn gezicht zien als het goed ging. En, heel soms, het wanhopige geblader als een van de acteurs twee pagina's had overgeslagen. Het hokje hoorde erbij. En geen mens die zich, zittend in de zaal, afvroeg waarom er halverwege het voetlicht zo'n bobbel uit de speelvloer stak. 'Maar men is het gaandeweg lelijk gaan vinden', concludeert de 75-jarige acteur Guus Verstraete, die in de jaren zeventig directeur was van de Koninklijke Schouwburg in Den Haag. 'Ik moet zeggen dat het in de Haagse schouwburg heel goed was weggewerkt, je zag alleen nog maar een randje. In andere theaters was het veel meer een grote, ronde, bolle kap. Toen ik er in '73 kwam, werd het souffleurshok al bijna niet meer gebruikt. Alleen af en toe nog, als er een amateurvoorstelling was. Ik herinner me ook een Frans gezelschap, dat absoluut het hok wilde. Nou, dat kon. Je kunt het in de oude schouwburgen makkelijk weer installeren. Ja, nu u het zegt het was eigenlijk opeens verdwenen. En het hoorde er zo bij, he?' Niemand weet precies wanneer het souffleurshok is geintroduceerd. In de dagen van Shakespeare, aan het eind van de zestiende eeuw, bestond het nog niet. Het vierdelige standaardwerk The Elizabethan Theatre maakt melding van een aanbouw achter de achterwand van het toneel, waar de spelers zich konden verkleden, de schrijver het vermoorden van zijn tekst gadesloeg en de souffleur de book-holder, in het jargon van toen de redevoeringen voorzei en de spelers waarschuwde als ze op of af moesten. Het hokje dateert dus van later, waarschijnlijk verscheen het voor het eerst in de Renaissance-theaters van een of anderhalve eeuw later. Een ideale oplossing, verborgen voor het publiek en in direct oogcontact met alle acteurs.

In het Engels ging hij later prompter heten, in het Nederlandse theater werd het Franse woord souffleur overgenomen. Het werkwoord souffler betekent volgens de Grote Larousse: met een zekere kracht lucht door de mond laten ontsnappen. Dat komt er, vrij vertaald, op neer dat hij de acteurs de teksten inblies. Hij verrichtte zijn arbeid, aldus hetzelfde naslagwerk, in het trou du souffleur. Het hok heette in het Frans dus een gat.

Naar aanleiding van het jubileum van de destijds vermaarde souffleur Kees Ritman schreef Herman Heijermans in 1918 de gelegenheidseenakter Pitten, die vorig jaar als hilarische lunchpauzevoorstelling werd gespeeld in de rotonde van de Stadsschouwburg in Amsterdam. Het schetsje speelt zich af tijdens de repetitie van een stuk, dat de volgende avond in premiere moet gaan. De katterige acteurs, die in de vroege ochtend nog lang niet tot leven zijn gekomen, hebben nauwelijks een idee van het stuk dat ze spelen. Ritman moet vrijwel alles voorzeggen. Het leunen op de souffleur heette pitten. Waarom? Mette Bouhuys, die de voorstelling regisseerde, weet het niet zeker. 'Maar volgens mij', zegt ze, 'komt het gewoon van slapen. Pitten betekent slapen.' In de regie-aanwijzingen van Heijermans stond, dat de souffleur in zijn hok zat het was alleen voor deze speciale gelegenheid omgedraaid, zodat het publiek hem in het gezicht zou zien. Mette Bouhuys zette hoofdrolspeler Ton Lutz echter op een stoel in de coulissen: 'Voor een echt hok was geen plaats in de rotonde. Toen we later in het Nieuwe de la Mar-theater de televisie-versie opnamen, vroeg Ton zich nog even angstig af of hij toch het hok in moest. Maar we hebben onze eigen enscenering aangehouden.' De hoogtijjaren van het hok vielen samen met de tijd waarin gezelschappen in hoog tempo nieuwe stukken op het repertoire namen. Als een voorstelling geen succes had, diende men bij voorkeur binnen enkele dagen iets nieuws klaar te hebben om de terugloop van de inkomsten te herstellen. Bovendien was een snelle afwisseling noodzakelijk om de vaste klanten zo vaak mogelijk naar de schouwburg te trekken. 'Er was een periode, ' aldus Verstraete, 'dat je gemiddeld elke veertien dagen een nieuw stuk moest spelen. Dan was het haast onvermijdelijk dat de souffleur een belangrijke rol speelde. Je had er een vaste uitdrukking voor: hij kan zo goed op de souffleur spelen. Dat was een compliment.'

De situatie is sindsdien ingrijpend veranderd: voor de gemiddelde voorstelling wordt nu zes tot acht weken gerepeteerd, ruim voldoende tijd voor de acteurs om hun tekst te kennen.

In de jaren zestig begon het hok, de vanzelfsprekende werkruimte van de souffleur, te verdwijnen. Nieuwe schouwburgen werden zonder het vereiste gat in de vloer opgeleverd. En in lokaties, die door het zogenaamde marge-toneel als theater in gebruik werden genomen, was vaak niet eens meer sprake van een verhoogde toneelvloer. De souffleur verhuisde naar de coulissen. In het Engels verwijzen de aanduidingen voor links en rechts op het toneel naar de plek, waar de steun en toeverlaat nu zit: de linkerkant heet prompt side, de rechterkant opposite prompt. Maar hij zit er lang niet meer altijd. 'Het is vaak een geldkwestie of er nog een souffleur is of niet', zegt Mette Bouhuys. 'Ik vind het zelf eigenlijk het belangrijkst bij repetities. Na een week of drie heb je veel mensen, die hun tekst half kennen en graag willen gaan spelen. Dan is het ideaal om een goede souffleur te hebben. Want het is absoluut een heel apart beroep. Je moet bijvoorbeeld alle speelpauzes kennen als je dwars door een bewuste pauze heenpraat, breng je de acteurs uit hun concentratie. Een regisseur of een regie-assistent kan het er niet even bij doen, alleen een ervaren souffleur doet het goed.' In de jaren zeventig speelde de populaire komiek Phil Silvers de mannelijke hoofdrol in een Amerikaanse versie van een stuk van Ayckbourn. Omdat hij zijn tekst niet goed kon onthouden, eiste hij een souffleurshok. In de aluminium speelvloer van het gloednieuwe theater moest een gat worden gezaagd, waaruit het topje stak van het hoofd van de regie-assistent. Dat hoofd was kaal en glansde hevig op in het schijnsel van de belichting. De man werd getooid met een zwarte baret, die hem onopvallender maakte. Maar hij was geen bedreven souffleur, hij sprak te luid en te langzaam. Een keer nam Silvers de tekst niet snel genoeg over.

Hij werd vervolgens gesouffleerd door iemand uit het publiek, die de vereiste zinsnede al had gehoord. Na afloop was de acteur ontroostbaar, vertelt William Donaldson in Great disasters of the stage. 'Het zijn hoofdzakelijk nog amateurs die tijdens de voorstelling op de souffleur willen leunen', zegt Dick Nooy, een van de volkstoneelzonen van Beppie. 'Ik heb een half jaar geleden een amateurgezelschap geregisseerd, waar ze koste wat kost niet zonder souffleur wilden spelen. Ik ben toen in de coulissen gaan staan, met een assistent aan de andere kant, en ik heb gezegd: als je het niet meer weet, loop je maar peinzend naar opzij. Mijn moeder had al niet eens een souffleur meer. In de vrije produktie repeteer je acht weken en daarna speel je zo'n voorstelling honderd keer. Dan kent iedereen ook elkaars tekst. Als iemand er even uitraakt, vangt een ander hem op. Zo van: u wilt me toch niet gaan vertellen dat... Dat gaat uitstekend.' Bij de grote toneelgezelschappen zijn nog souffleurs in dienst. Hun rol is echter teruggedrongen, hun onmisbaarheid tijdens de voorstelling verminderd. En een eigen plek hebben ze niet meer. Ze moeten hun stoeltje zo neerzetten, dat ze niet in de weg zitten. 'Als je bij Toneelgroep Amsterdam een been uit de coulissen ziet bungelen, zit daar de souffleur', merkt Mette Bouhuys op. Ze zijn beroofd van hun domein, van alleenheerser gedegradeerd tot assistent. Hun hokje is verdwenen.