CHINA

Voor Carolijn Visser lijkt reizen een primaire levensbehoefte te zijn. ' Alsik in de zeventiende eeuw geboren was (...) zou ik me verkleed hebben alsman en was ik gaan varen als een meisje loos, ' denkt ze als ze voor ze inslaap valt nog wat ligt te peinzen over de zeventiende-eeuwsetekenaar-schrijver in wiens voetspoor ze op dat moment door China reist. Ookhem, Johan Nieuhof, dicht ze zo'n onweerstaanbare drang toe: ' Hij bleefaltijd verder gaan, gewoon, omdat hij zich geen beter leven voorstellenkon, ' hij werd gedreven, in zijn eigen woorden, door 'een zonderlingevurige begeerte om vreemde landen en streken te zien'. Aangezien ik er zelf toe neig mij al na twee weken in vreemde bedden en baden huiswaarts te spoeden intrigeert mij de vraag wat voor mensentype het buitenshuis wel uithoudt. Een treklustige vriendin legde me ooit - tevergeefs haar recept uit: ' Je bed, dat moet gewoon in je hoofd zitten.'

Visser fantaseert over haar voorganger: ' Waar Nieuhof was, daar woonde hij. Hij wist immers niet of hij ooit nog veilig in Amsterdam zou belanden, de gevaren onderweg waren enorm.' De schrijfster, die met eerder verschenen bundels als Verre Reizen (over onder meer Mongolie en Nicaragua), Aan het einde van de regenboog (over goudzoekers in Costa Rica) en Grijs China al alle uithoeken van de wereld bestreek, heeft kennelijk een bed in haar hoofd. Over gedwongen oponthoud in onaangename omgevingen bericht ze tamelijk onaangedaan en steeds in de haar typerende stijl - droog, kort en ongekunsteld: ' In het stationsgebouw zaten honderden mensen geduldig te wachten: de hele dag was er nog geen trein langsgekomen. De regen had iets buiten de stad zijn verwoestende werking gedaan. Het spoor was bedolven door een aardverschuiving en geen trein kon erdoor. Dat kon wel een dag duren, vertelde een vrouw in een blauw uniform, of langer. We mochten zolang plaatsnemen in de eersteklas wachtkamer, bood ze aan, een toegangsbewijs daarvoor kostte vijf cent. Het was de ongezelligste ruimte die ik ooit had gezien. De stenen vloer was modderig en nat en de namaaklederen fauteuils zagen er onder het tl-licht kaal en versleten uit.' Niet iedereen die verre reizen doet kan mooi verhalen. Dat vereist, lijkt mij, in elk geval dat je je in den vreemde zo thuis voelt dat angst, ongemak en tegenslag niet alle zintuigen verduisteren. Visser ontbrak het in China niet aan angst, ongemak en tegenslag, maar ook als haar nog erger dingen overkomen dan aanhoudende ongezelligheid slaagt ze er meestal in haar ogen open te houden en een treffend beeld te geven van haar omgeving. De Chinese gewoonte bijvoorbeeld om zich als onbetekenender voor te doen dan men is neemt in de loop van het boek hilarische vormen aan als keer op keer haar gastheren en -vrouwen zich verontschuldigen voor de kwaliteit van het in werkelijkheid voortreffelijke eten. ' U moet onze excuses accepteren voor deze slechte ontvangst, ' zei meneer Wei, ' Het spijt ons zeer dat we niets beters kunnen aanbieden.'

' Maar dit is allemaal heel erg lekker, ' wierp ik tegen, 'ik ben u veel dank verschuldigd.'

Ik kon steeds beter overweg met de Chinese beleefdheden, merkte ik. Het gesprek volgt altijd een vast patroon, als een schaakspel. De gastheer doet een zet en de gast weet al welke tegenzet van hem wordt verwacht. Alleen is het niet de bedoeling dat een van beide partijen wint, de rituelen moeten naar behoren worden uitgevoerd, meer niet.' Verderop noemt Visser de tijdens de Culturele Revolutie onder dwang uitgeoefende 'zelfkritiek' een perversie van deze oude beleefdheidsvorm.

Visser verzon deze reis toen ze een expositie had gezien van de aandoenlijke landschapstekeningen die Johan Nieuhof in China maakte toen hij in 1655 meereisde met een VOC-delegatie op zoek naar handelsbetrekkingen (diverse tekeningen zijn in het boek afgedrukt). Ze vatte het plan op om aan de hand van de door Nieuhof getekende kaart zijn tocht na dik drie eeuwen over te doen om te zien wat er nog bestaat van die wereld van eeuwenoude tempeltjes, pagodes en dorpjes. Nadat sinologen Nieuhofs kaart en stadsplattegronden hadden 'vertaald', zodat de reis op een kaart met moderne plaatsnamen kon worden gereconstrueerd, ging Visser van start, met Nieuhofs dagboek in haar bagage. Lezend kunnen we de twee reizigers volgen, onderweg van zuid naar noord, van Canton naar Peking, langs de 2400 kilometer lange waterweg die ook de VOC-karavaan bevoer, met gele vlaggen voorop, want men was op weg naar de keizer. En hoewel al op de eerste pagina de vooruitgang blijkt te hebben toegeslagen (na tweeduizend jaar varen over de Noordrivier is net voor Visser arriveert de bootdienst vervangen door een bus) is het verbazend hoeveel van Nieuhofs schetsen Visser in de werkelijkheid kan terugvinden, hoeveel er helemaal niet of maar een beetje veranderd is. Het is een mooi verhaal, al komt Ka Lolian - dat is de naam die Carolien van haar gids krijgt, omdat je nu eenmaal een voor Chinezen uitspreekbare naam nodig hebt om te kunnen reizen - niet altijd naar voren zoals ze zelf Nieuhof beschrijft: 'als een opgewekt persoon, ' die 'geen gewoonte afwees'. Prachtige Ochtenddauw op Lotusblad (zoals de betekenis luidt van haar nieuwe naam) spreekt bijvoorbeeld wel erg generaliserend over 'Chinezen' ('Alleen een Chinees is tot zoiets in staat'), en dat terwijl ze tegelijk zo fijntjes weet te tonen hoe haar gids, die zelf de minder poetische naam Rode Vlag draagt, een provinciaal chauvinisme tentoonspreidt en zich nauwelijks een voelt met de bewoners van de streken waarheen Visser hem voert.

Het tweede deel van het boek, dat het verslag bevat van een volgende reis, een jaar nadat ze de eerste halverwege heeft afgebroken, is wat kribbiger van toon en iets minder rijk aan waarnemingen. Zo ingetogen van sfeer als de eerste tocht was, zo onrustig is de tweede, in mei 1989, temidden van het gewoel van de opstandige studenten. Langzaam, maar daarom niet minder dreigend, druppelen verontrustende berichten over de gebeurtenissen op het Plein van de Hemelse Vrede door naar de uithoeken waar Visser nog steeds Nieuhof volgt. Langzaam ook neemt haar paniek toe, waarvan ze overigens even matter of fact kond doet als van andere ervaringen (zieleroerselen zijn niet haar onderwerp). Uiteindelijk, op een moment dat ze lijkt nauwelijks nog weg te kunnen komen, besluit Visser haar reis te stoppen. Zoals haar is voorspeld nadat ze een tempel met een donatie had begiftigd keert Ka Lolian veilig terug in Lotus Orchideeen Land. Met haar voorganger liep het slechter af: nadat hij op een latere reis, in 1672, in Madagascar van boord was gegaan om drinkwater te halen heeft niemand hem ooit teruggezien.