Brilledragers en asfalt-intellectuelen

Dat de intellectuelen niet per definitie de wijsheid in pacht hebben zal ieder verstandig mens beamen.

Niettemin zie ik met enige deernis hoe zij, in de schaduw van de diverse politieke aardverschuivingen, weer overal de schuld van krijgen.

Zoals zij al eeuwenlang overal de schuld van krijgen: van de Franse revolutie en van de Oktoberrevolutie, van zowel de Praagse Lente als van de Praagse Winter, van de zedenverwildering en de lage rentestand, van de excessief gestegen prijs van de sigaren tot en met de vervuiling van het oppervlaktewater.

Nu schijnen zij ook al de schuld te zijn van het feit dat de Duitse Democratische Republiek, de arbeiders en boerenstaat-in-liquidatie, het vier decennia lang heeft uitgehouden.

Toch hebben de intellectuelen, dacht ik, ook wel eens iets goeds gedaan. Ze hebben de asperine uitgevonden en de wet op de zwaartekracht ontdekt. Prachtige boeken hebben ze bedacht, waarvan je werkelijk wijzer werd. En over die boeken hebben ze weer prachtige essays geschreven, waarin onweerlegbaar werd bewezen dat de auteur louter onzin verkondigde. Met hart en verstand wezen zij de mensheid op de diabolische implicaties van de atoombewapening. Vervolgens bewezen zij met kracht van argumenten dat de wereld dank zij dit proces van wederzijdse afschrikking al vijfenveertig jaar lang een derde wereldoorlog bespaard is gebleven.

Inderdaad, menige achtenswaardige intellectueel heeft zich, verblind door vooruitgangsgeloof en hervormingsdrang, bezondigd aan een al te milde kijk op de diverse totalitaire regimes. Evenveel, zo niet meer, intellectuelen hebben zich er resoluut tegen gekeerd, getuige alleen al het aantal scheldwoorden dat zowel de nazi's als de communisten voor hen in voorraad hadden. De intellectuelen waren anarchistisch, arrogant, betweters, bolsjewistisch-joods, bourgeoisknechten, brilledragers, decadent, elitair, gedegenereerd, grootstedelijk-joods, hersenverweekt, hoogmoedig, individualistisch, onbeschaamd, onbetrouwbaar, ongedisciplineerd, onverantwoordelijk, ontaard, rassenvreemd, wankelmoedig, wortelloos, zedeloos en zelfverheerlijkend, zij waren asfalt-intellectuelen, burgerlijk intellectuelen, kwartintellectuelen en pseudo-intellectuelen.

Een mensensoort dat zo'n bonte collectie kwalificaties op zich laadt moet ergens, diep in het verborgene, ook iets aardigs hebben.

Het merkwaardigst jegens de intellectuelen gedragen zich de Duitsers, bewoners van het traditionele land der dichters en denkers. Dichters en denkers als Goethe en Schiller, Hegel en Schlegel. Toegegeven, die zijn al geruime tijd dood. Sedertdien is tussen de dichters en doeners, denkers en Draufganger een zekere verkoeling ontstaan. Joseph Goebbels beloofde in 1932 'die vervloekte intellectuelen' hoogstpersoonlijk aan de hoogste boom op te zullen knopen. De Deutsche Drogistenzeitung vroeg zich in 1934 af hoe 'ein Mann von deutschem Wesen' in hemelsnaam 'ein Intellektueller' kon zijn.

De naoorlogse bondskanselier Ludwig Erhard beklaagde zich over 'de tot idiotisme ontaarde intellectuelen'. Zijn socialistische collega Helmut Schmidt beroemde zich op het feit 'de intellectuelen' uit zijn kabinet te hebben verwijderd. Bondskanselier-in-spe Franz Josef Strauss vergeleek de 'halfintellectuele hansworsten' met strontvliegen en ratten. Zoals ook de DDR zijn kritische intellectuelen op een lijn met dit soort onsmakelijke knaagdieren stelde, verantwoordelijk voor de pest, paratyfus, mond- en klauwzeer. 'Wij hebben voor elke rat een recept', sprak het Centraal Comite dreigend. Dat varieerde van het tuchthuis tot een drijfjacht in de kolommen van het Oostduitse dagblad Neues Deutschland. Het waren voor een deel dezelfde intellectuelen die deze week door het Westduitse weekblad Die Zeit ervan worden beschuldigd tijdens het stalinisme 'luidkeels te hebben gezwegen' waardoor zij 'meer op hun geweten hebben dan menige eenvoudige Vopo'. Het zij verre van mij om een natie als bijvoorbeeld Frankrijk te idealiseren. Niettemin zijn daar intellect en macht geen elkander uitsluitende elementen. Daar worden, zoals bekend, de intellectuelen als de 'vijfde stand' gezien en men kan in het parlement vrijelijk Diderot en Voltaire citeren zonder dat de collega-volksvertegenwoordigers zich schaterlachend op de dijen slaan. In de diverse Duitslanden beziet men de intellectueel echter al een eeuw lang met kritische reserve. Daar is zelfs ooit de biologie tegen hem gemobiliseerd. De intellectueel, aldus leerde deze, is 'koud' want 'bloedeloos', 'ziek' want 'ontworteld', omdat hij of zij 'op het asfalt van de grote stad vegeteert'. Tja, het zijn inderdaad lastpakken, die intellectuelen, potentiele dwarsliggers, stukjesschrijvers, opiniekneders, die overal verstand van denken te hebben. Het feit dat je toevallig mooie gedichten bij elkander rijmt, de vroegmiddeleeuwse literatuur hebt bestudeerd, de atoombom hebt uitgevonden of het antituberculosevaccin hebt ontwikkeld, impliceert immers niet automatisch dat je precies weet hoe de natie moet worden ingericht. Bovendien, in sommige opzichten zijn het net gewone, aan de verlokkingen des levens blootgestelde, mensen. Maak de auteur A. secretaris van de Schrijversbond en hij houdt zich keurig koest. Maak de componist B. voorzitter van de Rijksmuziekkamer en je hebt gegarandeerd geen cent last van hem.

Maar behalve schrijver A. en componist B. zijn er ook dichter C. en quantummechanicatheoreticus D. die het verdommen om zich door de machthebbers te laten corrumperen of zich de mond te laten snoeren, waarmee ik maar wil zeggen dat al het gepraat over de wankelmoedigheid van de intellectuelen als generaliserende zotteklap moet worden beschouwd.