Tijgerkussen

Bij Kusnacht, midden in het woud, Waar geen mens zich ooit verstout, Daar wemelt het van kussentijgers; Grote dromerige zwijgers.

Een kussentijger is een beest Dat heel wild is, maar ook bedeesd. Gewone tijgers willen bijten, De kleren van je lichaam rijten, Om je levend te verslinden; Alleen nog schoenen kun je vinden.

De kussentijger maalt om schoenen, De kussentijger smacht naar zoenen. Kussentijgers willen kussen, En niet hun broers en niet hun zussen, Maar elkaar en ook hun kinderen; Niemand kan hun dat verhinderen.

Je kunt ze met niets anders sussen, Hun vuur is nergens mee te blussen. De kussentijger kust ook mensen, Ongeacht of die het wensen. Ze bezorgen je de stuipen Door je doodstil te besluipen; Hun prooi vangen ze zeer bedreven En dan begint het zoentjes geven.

Ja, dan nemen ze je in hun armen, En dan roepen ze: geen erbarmen! En als je zegt: nee, nee ik weiger, Doof houdt zich dan de kussentijger.

Dus, als je niet van kussen houdt, Ga dan nooit naar 't Kusnachtwoud! Daar leeft die tijger in het wild, Zijn kussenhonger nooit gestild.

Vooral dat laatste: Otten heeft niet door dat dat iets is waarin niet geloven op een essentiële manier verschilt van welk geloof dan ook: het mist die karakteristieke pretentie een antwoord op alle problemen te hebben. Het geloof heeft dat wel. Voor de Kerk bestaan wel mysteriën maar geen open vragen. Zij heeft op alles een antwoord, net als het Communisme (dat is dan ook een geloof). In datzelfde Kerstnummer schreef Koos van Zomeren: 'De Partij gaf betekenis aan heel je doen en laten. De partij gaf richting, ze had antwoord op alle vragen'.