Olie

ROTTERDAM, 3 aug. Na het uitbreken van de oorlog met Iran in 1980 en zeker na het afsluiten van de oliepijpleiding door Syrie in 1982 streefde Irak naar verruiming en diversificatie van zijn afvoermogelijkheden voor aardolie. Het land heeft nu drie mogelijkheden voor de afvoer van olie: een naar de Middellandse Zee via de Turkse havenplaats Ceyhan, een naar een terminal ten zuiden van de Saoedische industriestad Janbo aan de Rode Zee en een naar een terminal bij Mina al-Bakr aan de Perzische Golf, elk met een ontwerp capaciteit van ongeveer 1,6 miljoen vat (van 159 liter) per dag, samen voldoende voor vervoer van 4,9 miljoen vat.

Volgens de Middle East Economic Survey produceerde Irak in januari van dit jaar ongeveer 2,7 miljoen vat per dag. (Het OPEC-quotum van Irak stond toen op 3,14.) Daarvan liep volgens MEES 1,5 miljoen vat via Ceyhan in Turkije, 0,85 miljoen vat via de Perzische Golf en 0,35 via de Rode Zee. De rest van de produktie wordt geraffineerd. Aardolie voor Europa, de VS en Canada wordtvooral via de (dubbele) pijpleiding naar Turkije getransporteerd. Afvoermogelijkheden via de Rode Zee verkreeg Irak pas in september 1985 toen het land via de IPSA-1 leiding aansluiting kreeg op de Saoedische 'Petroline', die het Oosten van Saoedie-Arabie met de Rode Zee verbindt. In 1987 werden met Mitsubishi, Hyundai, Saipem (Italiaans) en Spie-Capag (Frans) contracten gesloten vor de bouw van de IPSA-2 leiding, parallel aan de Petroline. In januari van dit jaar werd deze leiding officieel in gebruik genomen. De terminal bij Mina al-Bakraan de Perzische Golf heeft een ontwerpcapaciteit van 1,6 miljoen vat per dag, maar zou op dit moment hooguit 0,8 kunnen verwerken. De terminal ontvangt vooral olie voor het Verre Oosten en de VS. Koeweit moet al zijn aardolie rechtstreeksvia een terminal aan de Perzische Golf afvoeren.