Inflatievrees door stijgende olieprijs

ROTTERDAM, 3 aug. De aandelenbeurs in Tokio is vandaag 2,4 procent gedaald uit angst voor inflatie als gevolg van een hogere olieprijs. In Europa bleven de beurzen in het algemeen rustig en daalden de dollar en het goud.

Japan produceert zelf nauwelijks olie zodat een stijging van de olieprijs hard aankomt. Japan werd door de oliecrisis in 1973 zwaar getroffen. Olie is niet alleen een belangrijke brandstof maar ook een grondstof in bijvoorbeeld plastic. Een hogere olieprijs werkt door in de prijzen en wakkert de infatie aan.

Handelaren in Japan houden er rekening mee dat de inflatie met een procent zal oplopen als de olieprijs op 25 dollar per vat (159 liter) uitkomt. Vanmorgen noteerde een vat Noordzee-olie ('Brent') 23,30 dollar tegen rond de 20 dollar een paar dagen geleden.

In Japan is de angst voor inflatie toch al groot omdat er krapte op de arbeidsmarkt heerst waardoor hogere loonkosten produkten duurder maken. Verder stijgt de geldhoeveelheid vrij snel wat ook de geldontwaarding stimuleert. Handelaren vrezen daarom dat de Japanse centrale bank het disconto verder zal verhogen van 5,25 naar 5,75 of zelfs 6,25 procent.

In Nederland hanteert het Centraal Planbureau als globale vuistregel dat de inflatie met drietiende punt stijgt indien de energieprijzen met tien procent stijgen zoals gisteren gebeurde. Een woordvoerder wijst er echter op dat de olieprijs weer kan dalen. 'Je kunt nu nog geen uitspraken doen'. Bovendien exporteert Nederland aardgas waarvan de prijs is gekoppeld aan de olieprijs. Volgens een vuistregel levert elke stijging van de olieprijs met een dollar de Staat een half miljard gulden op.

Het economische bureau van de Amrobank houdt rekening met een daling van de olieprijs. 'Er zit op dit moment een premie in de prijs in verband met de schermutselingen in Koeweit. Het is onwaarschijnlijk dat de gevechten zich naar andere gebieden zullen verspreiden zodat we er rekening houden dat de markt weer tot rust komt en de olieprijs weer wat gaat dalen.' Een andere handelaar wijst erop dat de olievoorraden in het Westen in jaren niet zo hoog zijn geweest en de vraag niet extreem groot is. De afgelopen maanden was sprake van overproduktie.

In de Verenigde Staten was de inflatie de afgelopen maanden juist aan het dalen doordat de economie aan het afkoelen is. Handelaren hielden er rekening mee dat de Verenigde Staten de rente zouden verlagen om de economie weer aan te zwengelen, maar achten de kans daarop nu geringer. Het gevolg was dat gisteren de dollar opveerde na een langdurige daling waarin de dollar nog maar 1,3 cent verwijderd was van het historische dieptepunt van eind 1987. Vanmorgen daalde de dollar licht en stond rond het middaguur op 1,7945 gulden tegen een slot gisteren van 1,8060 gulden. Het goud daalde een paar dollar en stond op 375 dollar per ounce (31,1 gram). De dollar was gisteren nog in trek als 'vluchtheuvel' in een situatie van onzekerheid, een functie die het goud ook vervult. Dat zowel dollar als goud vanmorgen weer wat daalden duidt erop dat handelaren enige vertrouwen krijgen in de situatie.

De landen in Oost-Europa zijn directe slachtoffers van de hogere olieprijs omdat ze met uitzondering van Roemenie zelf nauwelijks olie produceren en dus grote hoeveelheden moeten invoeren.

Toen in 1973 de olieprijzen omhoog schoten was een wereldrecessie het gevolg met 28 miljoen werklozen in de industrielanden. Eind jaren zeventig volgde een nieuwe explosie van de olieprijs die wederom werd gevolgd door een mondiale recessie.