Hongerstaking voor een huwelijk; Hanif Kureishi en het Britse immigrantenmilieu

Menig schrijver zou zonder aarzelen zijn rechterarm geven voor zo'n titel. Hij klinkt, swingt en zindert van de suggestie: The Buddha of Suburbia. Titels verzinnen was toch al een forte van de jonge Britse auteur Hanif Kureishi: My Beautiful Laundrette, de titel van het filmscenario dat hem in 1985 een Oscar-nominatie bezorgde, klonk als een hit van Prince, en het toilet-dichterlijke Sammy And Rosie Get Laid, zijn tweede film, sloot perfect aan bij de graffiti-achtige wijze waarop Kureishi daarin een chaotisch, bijna post-apocalyptisch beeld van de Britse klassen- en rassenmaatschappij onder Thatcher schilderde.

Een groot aantal thema's uit de filmscenario's keren terug in de roman: het Indiaas-Pakistaanse immigranten-milieu, de romantiek tussen twee mensen van middelbare leeftijd, en de honger naar de mystiek van seks en drugs en rock'n'roll die zich uit in een desperate 'struggle for fun' in de grote stad. In The Buddha of Suburbia, in de Nederlandse vertaling De Boeddha van de buitenwijk geheten, zijn ze echter, sterker dan in de films, gekleurd en verdiept door wat Kureishi in een interview in deze krant zijn eigen 'emotionele autobiografie' noemde.

Die autobiografie wordt met name zichtbaar in de verhouding van de jonge hoofdpersoon Karim Amir (hij is 17 jaar aan het begin van het boek, 20 aan het slot) tot zijn vader, Haroen. Deze vader is de geheime held van het boek, zeker in het eerste deel, wanneer de vader zich, gestimuleerd door zijn geexalteerde minnares Eva, door middel van een reeks salon-meditatiesessies in Zuid-Londen, ontpopt als de Boeddha uit de titel. De zoon Karim slaat deze even sympathieke als zelfzuchtige man, met zijn Oosterse wijsheid, doortrapte ijdelheid en culturele gespletenheid, met een mengeling van vertedering, afkeer en bewondering gade. Van hem heeft hij geleerd, dat het hoogste sociale goed niet beleefdheid, eerlijkheid en zelfs fatsoen is, maar charme. Voor een immigrant is er maar een manier om echt geaccepteerd te worden: door te behagen, dat wil zeggen door schaamteloos in te spelen op de vooroordelen die men over je afkomst heeft. Dit behagen is een eigenschap die Karim die wat het racisme en de bijbehorende agressie betreft iets murws heeft gekregen, iets masochistisch bijna goed van pas komt, wanneer hij de buitenwijken ontsnapt en in London carriere probeert te maken als acteur. Twee culturen 'De immigrant is de Elckerlyc van de twintigste eeuw', zegt een toneelregisseur tegen Karim en legt de vinger op de zere plek. Als immigrant, en met name als kind tussen twee culturen, word je gedwongen Iedereen en Niemand te zijn. Het experimenteren met verschillende identiteiten, de puberteit eigen, wordt dan een heilloze bezigheid: 'We gingen nu eens op de Franse toer, dan weer speelden we dat we Amerikaanse zwarten waren. Het vervelende was dat we geacht werden Engels te zijn, maar voor de Engelsen waren we alleen maar bruinjackers, roetmoppen, Paki's en ga zo maar door.' Lastig is daarbij dat het Karim aan de enige eigenschap ontbreekt waar men in de moderne jungle nog mee verder komt: 'de krachtige drang om je meester te maken van wat, hoe kortstondig ook, je begeerte opwekt.'

De positieve keerzijde van Karims gebrek aan karakter is een scherp inzicht in de zwakheden en loze pretenties van anderen, die door Kureishi met veel gusto en gevoel voor humor worden ontmaskerd. Het is de strategie van de clown: door jezelf licht te maken, op het onzichtbare af, laat je alle gewichtigdoenerij door de mand vallen.

De combinatie van kwetsbaarheid, compassie en dedain voor alles wat 'phony' is, levert met name in het eerste, in de treurigheid van de Londonse buitenwijken gesitueerde deel van het boek, regelmatig vituoos soepel, lyrisch en hilarisch proza op, waarin echo's doorklinken van Salinger en Naipaul en ook, vreemd genoeg, van Celine, maar dan zonder gedachtenpuntjes... In het tweede, grotestadsgedeelte van The Buddha of Suburbia begint Kureishi's brille aan scherpte te verliezen. Als een tapdanser die te veel naar z'n schoenen kijkt, raakt hij af en toe uit zijn ritme.

Bloedzuiger

Kureishi is op z'n best wanneer hij Karim als een bloedzuiger op de ziel van anderen zet. Van zijn oom Anwar bijvoorbeeld, beheerder van de Paradise Stores (een gribus), die in hongerstaking gaat om zijn dochter tot een huwelijk te dwingen en die krankzinnig wordt wanneer dat huwelijk hem niets oplevert. Of van Changez, de beminnelijke bloemrijk formulerende dikke, in een vegetarische kraakcommune gestrande Indiase prins die zijn militante echtgenote met geen vinger aan mag raken en daarom troost zoekt bij een Chinees hoertje met wie hij, als een kind in luilekkerland, de Kama Soetra doorneemt. Of van Karims Britse oom Ted, de verwarmingsinstallateur die zich na zijn verlichting door de Boeddha van de buitenwijk opwerkt tot een van de meest gewilde binnenhuisarchitecten van chic London; of Charlie Here, de zoon van de minnares van Karims vader, en duidelijk gemodelleerd naar popster Billy Idol, de man met de glimlach als een zweepslag; of Matthew Pyke, het type van de moderne toneelregisseur als seksueel manipulerende voyeur, zoals die begin jaren zeventig niet alleen in Engeland graag gezien was.

Een prima cast, die zo te gebruiken is voor een Britse 'situation comedy', maar ze gaan net als in dergelijke tv-series trouwens uiteindelijk nergens heen met z'n allen. Het verhaal loopt langzaam maar zeker vast in een gebrek aan plot en een overmaat aan tijdgeest: de trends van drie decennia voor de prijs van een. En dan is er nog de aanzwellende stroom existentieel-puberale modder waar Karims interne monologen tegen het slot mee verstopt dreigen te raken.

Een groot bezwaar is deze structuurloosheid echter niet, eerder een weerspiegeling van de morele, seksuele en intellectuele stuurloosheid die Karim vaak als een kop van jut met groeipijnen in het soort tragi-komische situaties doet belanden die het boek tot zo'n geslaagde moderne 'jeugdroman' maken. Een 'pop-roman' noemt Kureishi het zelf. De Boeddha van de buitenwijk is er niet voor eerbiedwaardige grijsaards die in een boek naar de eeuwige wijsheid zoeken. De Boeddha is er voor de kids die, zoals Karim Amir, middenin het leven uit hun gevoelens geen wijs worden. Ter bevordering van de heilige onwijsheid.