Een bezoek aan Optina Poestyn; zegenen in het voorbijgaan

Het Russische klooster Optina Poestyn was een toevluchtsoord voor de drie grote Russische schrijvers Dostojevski, Gogol en Tolstoj. Na een periode van verval gaf de Sovjet-regering het klooster weer terug aan de Russisch-orthodoxe kerk.

De gouden koepels zijn al vanuit het dorp Kozelsk tussen de bomen door te zien. Het zijn de koepels van de kathedraal van Optina Poestyn, eens een van de beroemdste kloosters van Rusland, een klooster met een magische aantrekkingskracht op de drie grote gekwelde Russische schrijvers Dostojevski, Gogol en Tolstoj. Zij zochten er troost en spraken met de wijze mannen, de startsy waaraan het klooster zijn roem ontleende.

Het klooster werd in 1923 door de bolsjewieken gesloten, de monniken werden verbannen. Een aantal kerken werd met de grond gelijk gemaakt en de gebouwen boden sindsdien plaats aan de meest uiteenlopende instellingen, een ziekenhuis, een technische school, een landbouwbedrijf. Tijdens de Tweede Wereldoorlog diende het als gevangenis voor Poolse officieren en net als in Katyn moeten er in de buurt van het klooster massagraven te vinden zijn. Poolse naspeuringen bij het riviertje de Zjizdra hebben nog niets opgeleverd.

Drie jaar geleden, op 17 november 1987, gaf de staat het klooster terug aan de Russisch-orthodoxe kerk. Sindsdien wonen en werken er weer vijftig monniken onder leiding van archimandriet Jevlogi, en begint het klooster langzaam uit de ruines te herrijzen. Het eerste bewijs daarvan zijn de blinkende koepels.

Eenmaal binnen de muren lijkt het klooster nog meer op een bouwkeet. Alles staat in de steigers, overal slingeren bakstenen en tussen dat alles schuifelen zwartgerokte bebaarde jongens, pelgrims en lokale toeristen. De archimandriet is afwezig, hij celebreert in het achttien kilometer verderop gelegen nonnenklooster Sjamordina, minder beroemd, al was de zuster van Tolstoj er aan het begin van de eeuw abdes. Sjamordina is ook teruggegeven aan de kerk, tussen de onvoorstelbare ruines wonen inmiddels tien nonnen.

Bij ontstentenis van Jevlogi worden we ontvangen door zijn plaatsvervanger, de dertigjarige monnik Innokenti. De rondleiding wordt met regelmaat onderbroken door gelovigen die hem de zegen vragen en zijn hand kussen, een zegen die hij terloops en haast verstrooid over hen uitspreekt, zonder zijn betoog te onderbreken. Ook voor praktische raad moet men bij Innokenti zijn. Een medewerker komt vragen wat te doen met het heilige water in het reservoir in de kathedraal, waarin beestjes blijken te zwemmen.

Rover

Optina Poestyn is volgens de overlevering gesticht in de veertiende eeuw door de rover Opta, die berouw kreeg van zijn misdaden en de rest van zijn leven aan God wijdde. Poestyn betekent oorspronkelijk ‘afgezonderde plek’ (‘poesto’ is leeg) en een poestynnik is een kluizenaar. Het oorspronkelijke houten klooster is aan het eind van de vijftiende eeuw door de Pools-Litouwse veroveraars met de grond gelijk gemaakt. Na de wederopbouw leidde het klooster lang een armelijk bestaan, tot er in de negentiende eeuw een bloeiperiode aanbrak met de komst van de monnik Avrami, kennelijk een bijzonder geestrijk man. Er vormde zich een groep geleerde monniken die heilige boeken uit het Grieks vertaalden en de roem van de startsy van Optina verbreidde zich door heel Rusland. Een starets is een heilige man, die pelgrims goede raad en genezing verschaft.

Behalve voor het lenigen van geestelijke en lichamelijke nood waren de startsy voor de kloosters in financieel opzicht een zegen: de pelgrims brachten het nodige geld in het laatje. Dostojevski, die in 1878 na de dood van zijn zoon naar Optina kwam, raakte onder de indruk van Amvrosi en schilderde hem in de figuur van de starets Zosima in zijn Gebroeders Karamazov. Tolstoj, die tot het eind van zijn leven met de kerk, met zijn vrouw en met zichzelf in onmin leefde, schilderde in Vader Sergi een iets minder verheven beeld van het leven in het klooster, waarbij hij zich voornamelijk concentreerde op een probleem waarmee hij zelf voortdurend worstelde: de aardse genoegens die een voortdurende aanslag doen op het ideaal van een heilige levenswandel. De sombere Gogol vond een geestelijk leidsman in de voorganger van Amvrosi, vader Makari, en verwierp onder diens invloed een deel van zijn vroegere werken, waardoor voor de literatuur heel wat verloren is gegaan. ‘Ja, ‘ zegt monnik Innokenti, ‘Gogol kwam hier vaak, hij zocht troost bij vader Makari. Gogol gaf zich af met intellectuelen. Hij dreef de spot met de Russische mens, maar later kreeg hij daar berouw over. Na gesprekken met Makari ging hij zijn vroegere werken kritisch bekijken. Een schrijver moet het talent dat hij van God heeft gekregen ter meerdere eer en glorie van God gebruiken en niet verspillen.’ Tolstoj, zegt Innokenti spijtig, heeft daarentegen niet van zijn overtuigingen afgezien. ‘Hij bleef losgerukt van de kerk en opgesloten in zijn hovaardij.’ Tolstoj, die met het tolstojanisme een eigen vorm van godsdienst ontwikkelde, werd in 1901 door de Russisch-orthodoxe kerk geexcommuniceerd en wilde tot het eind van zijn dagen niets met de officiele kerk te maken hebben. Toch bezocht hij Optina Poestyn maar liefst zes keer en eenmaal maakte hij zelfs een pelgrimstocht te voet vanaf zijn landgoed Jasnaja Poljana, honderdvijftig kilometer verderop.

Te werelds

De heilige Amvrosi woonde niet in het klooster zelf, maar in de skit, een kluizenaarsverblijf vijfhonderd meter verder het bos in. De startsy vonden het leven in het klooster veelal te werelds en te druk en trokken zich nog verder van de bewoonde wereld terug, waar ze met voortdurend bidden en vasten hun onthechting van het aardse leven verder vervolmaakten. Innokenti toont ons de skit, een ommuurd stuk grond met een houten kerkje en een aantal stenen huisjes voor de heremieten. Om elkaar niet te dicht op de huid te zitten, aldus Innokenti, bouwden de monniken die huisjes, volgens de kloosterstatuten, op steenworp afstand van elkaar. Hier is ook het witte huis waar Amvrosi zijn pelgrims ontving, het krot van Amvrosi genaamd. Het klooster worstelt nog met een probleem: in de skit woont een aantal dorpsgezinnen, voor wie nog geen vervangende woonruimte gevonden is. Dat verklaart de aanwezigheid van een motor, een vrachtwagen, vrouwen en kinderen en een waslijn met wapperende onderbroeken. ‘Amvrosi had de gave van de vooruitziende blik’, zegt Innokenti. ‘Hij kon mensen op hun gebreken wijzen. Hij kwam naar buiten en vanaf het trapje zegende hij de mensen, bad met ze en gaf ze goede raad. Sommigen wachtten in de kloosterherberg meer dan een maand op een audientie.’

Zo beschreef Dostojevski in De gebroeders Karamazov de starets Zosima: ‘Over de starets Zosima vertelden velen dat hij, door zo vele jaren allen bij zich toe te laten die hun hart kwamen luchten en van hem raad en een heilzaam woord verwachtten, zo veel onthullingen, schokken en bekentenissen tot zich had genomen dat hij ten langen leste een zo subtiele helderziendheid had verworven dat hij bij een eerste blik op het gezicht van een onbekende, die bij hem kwam, raden kon waarom deze gekomen was, wat hij verlangde en zelfs welke soort kwelling zijn geweten pijnigde en hij verbaasde, verwarde, ja, verschrikte de bezoeker soms door zijn geheim te kennen voor deze een woord had uitgebracht.’

Het stoffelijk omhulsel van de heilige starets is begraven in een grafkelder binnen de kloostermuren en zijn relikwieen zijn inmiddels in een grafkist in de kathedraal geplaatst. Innokenti komt zelf uit Tsjeboksary, in Tsjoevasjie. Hij werd gelovig na zijn militaire dienst, hij was toen 21 jaar en besloot naar het seminarie te gaan. Zijn ouders waren er niet tegen, ze zijn zelf gelovig, maar zijn broers en zusters spijtig genoeg niet, zegt hij en geeft ons een slok water uit de bron van Amvrosi, dat heilzame invloed op de drinker heeft. Na het seminarie schreef hij aan de rector een verzoekschrift om monnik te mogen worden. Na zijn monnikswijding is hij naar Optina gestuurd. De monniken verlaten het klooster niet of nauwelijks, al is Innokenti laatst naar Moskou geweest om een lezing over het klooster te houden voor studenten van de Moskouse universiteit.

Klokketoren

De kerk betaalt de restauratie van het klooster zelf en dat drukt het tempo. Er zijn in het hele land duizenden vernielde kerken die moeten worden heropgebouwd. De kathedraal is hersteld, nu bouwt men aan de klokketoren, die opnieuw een vingerwijzing Gods in het landschap moet worden. Een probleem vormt de kostbare bibliotheek, die het klooster ooit bezeten heeft en die meer dan 30.000 oude boeken en handschriften telde. Ze zijn geconfisqueerd en grotendeels in de Leninbibliotheek terecht gekomen, waar ze te traceren zijn door middel van het stempel van Optina Poestyn dat hen siert.

Het klooster heeft een lap grond van de plaatselijke sovjet gekregen en serveert nu eigen groente op tafel. Er is veel veranderd in de houding ten opzichte van de gelovigen, volgens Innokenti, maar veel is ook nog bij het oude gebleven. Veel mensen kijken nog neer op gelovigen en zolang de wet op de gewetensvrijheid niet door het parlement is aangenomen kunnen gelovigen geen verhaal halen tegen machtswillekeur van lokale autoriteiten.

In Vader Sergi beschrijft Tolstoj hoe de monnik worstelt met zijn trots en aardse verlangens. De genezing van de pelgrims brengt hem roem en streelt zijn ijdelheid en eigenlijk ziet hij hierin de hand van de duivel. Later verschijnt die in de gedaante van de zwakzinnige Maria, aan wier simpele bekoorlijkheid Sergi geen weerstand kan bieden. Maar voor zijn val speelt hij vaak met het idee er vandoor te gaan en dan is Tolstoj zelf aan het woord. ‘Er was een tijd dat hij besloten had weg te gaan, zich uit de voeten te maken. Hij had alles al bedacht, hoe dat aan te pakken. Hij had een boerenhemd klaargelegd, een broek, een kaftan en een muts. Hij zei dat hij dat nodig had om aan bedelaars te geven. En hij hield die kleding bij zich en bedacht hoe hij het aan zou trekken, zijn haar kort zou knippen en weg zou gaan. Eerst met de trein, een werst of driehonderd, en dan te voet langs de dorpen.’

Hoe vaak heeft Tolstoj zelf met dat idee gespeeld? Hij voerde het pas uit toen hij 82 was en het te laat was. Op 28 oktober 1910, na de zoveelste ruzie met zijn vrouw die een hekel had aan zijn altruistische hemelbestormerij en de dweperige leerlingen die hem omringden en die een groot gezin had te bestieren, ontvluchtte hij zijn landgoed Jasnaja Poljana met onbekende bestemming. Hij ging in gezelschap van zijn arts en raadsman Dusan Makovicky met de trein naar Kozelsk en bleef een dag in Optina Poestyn om tot rust te komen. Daarna vertrok hij naar het zuiden. Hij kreeg longontsteking en moest op station Astapovo uitstappen, waar hij op 7 november stierf. Vergeefs deed de geestelijkheid nog een laatste poging hem terug te brengen in de schoot van de kerk. Hij werd op zijn landgoed begraven, precies zoals hij het zelf had gewild, in een houten kist en zonder enig kerkelijk ritueel, op de plek waar, zo wilde de familiegeschiedenis, zijn oudere broer Nikolaj eens een groene tak begraven had, waarop het geheim van het geluk voor iedereen geschreven stond.