Drie biografieen van Bette Davis; een valse lieveling

De filmactrice Bette Davis was geen wonder van schoonheid en ze was evenmin bijzonder sympathiek. Ze beschikte over een groot acteertalent, maar speelde bijna altijd dezelfde rol. Toch was ze een van de meest populaire sterren die het ouderwetse Hollywood voortbracht. Hoe is dat mogelijk? Sinds haar overlijden vorig najaar verschenen drie biografieen die een verklaring zoeken. 'Fasten your seat belts it's going to be a bumpy night'. Bette Davis was een verschrikkelijk mens. Dat was ze een beetje in 1931, toen ze als 23-jarige haar filmdebuut maakte in Bad Sister, en ze bleef het met volle kracht tot het eind van haar leven in 1989. Bijna al haar tegenspeelsters, van Barbara Stanwyck tot en met Marilyn Monroe, werden al naar gelang hun karakter en status door haar gekoeioneerd, beledigd, afgebekt of genegeerd. Met acteurs kon ze het ook zelden vinden, of ze nu Edward G. Robinson heetten of Peter Ustinov. En de regisseurs van haar films? Velen weigerden na een keer nog met haar te werken, hoeveel publiek haar naam ook trok. Anderen, Michael Curtiz en Anatole Litvak, bestreden haar met haar eigen middelen en maakten constant luidruchtig scheldend ruzie met haar. Een enkeling waardeerde haar inzet en hij werd dan beloond met haar erotische gunsten. Maar zelfs voor zo iemand was haar voortdurende egocentrische hatelijkheid moeilijk te verdragen. Cameramannen konden een asbak (vol) naar hun hoofd krijgen of een welgemikte klodder spuug, want nooit slaagden ze er in Miss Davis zo mooi te filmen als ze volgens haar zelf was.

Doet het ongemanierde humeur van Bette Davis bijzonder ter zake? Nee. Davis zal best een heks geweest zijn, maar wat werkelijk intrigeert is de aantrekkingskracht die ze uitoefende op de miljoenen die de bioscopen bevolkten. En nog steeds roept haar naam iets op. Bij filmhuisbezoekers, die toestromen zodra er een retrospectief op haar werk wordt georganiseerd, maar ook bij mensen die misschien nimmer een film met haar zagen. De popsong She's Got Bette Davis Eyes bezorgde zangeres Kim Carnes in 1981 wereldfaam en popzangeres Madonna verklaart haar zelfs regelrecht haar liefde in de song Vogue. Hoe Kan Dat? Komt dat door de enkele rol die Davis werkelijk goed speelde, bijvoorbeeld in All About Eve? Of werd het juist veroorzaakt doordat Davis krijsend en scheldend het recht opeiste zo veel mogelijk dezelfde rol te spelen, onafhankelijk van het personage dat haar was toebedacht? Jezebel, Dark Victory, The Little Foxes, steeds laat ze het type zien dat uiteindelijk haar climax bereikte in What Ever Happened to Baby Jane: melodrama voerde de boventoon in haar spel dat het personage plaatste ergens tussen kwetsbaar hysterisch en oprecht vals in.

De zojuist verschenen biografie van Lawrence J. Quirk houdt zich er niet mee bezig. The Passionate Life of Bette Davis, kondigt de ondertitel aan en het boek heet Fasten Your Seatbelts, waar de Davis-fan automatisch het vervolg op denkt: '... it's going to be a bumpy night' een van de meest bekende, door Davis zelf ook talloze malen herhaalde, citaten, afkomstig van het personage Margo Channing uit All About Eve. Quirks boek wordt gepresenteerd als de definitieve levensbeschrijving van de vorig najaar overleden filmster, maar de filmbiografieen-schrijver Quirk springt vreemd om met de vrouw wier leven hem het piece de resistance had moeten brengen in een oeuvre met titels als The films of Joan Crawford en The Story of Norma Shearer. Hij beschrijft haar 81 levensjaren inderdaad als een lange 'bumpy night'.

Roddel

Naar eigen zeggen bestudeert Quirk Bette Davis sinds 1946 en streefde hij er naar te spreken met 'iedereen die met Davis geassocieerd is geweest'. En waar viel hij deze mensen mee lastig? Zo te zien stelde hij telkens maar een vraag. 'Wat vond u van d'r?' wilde hij ruim veertig jaar lang weten, om dan voort te borduren op het in veel gevallen onbegrijpelijk loslippig gegeven antwoord. Het resultaat is 447 pagina's nauwelijks of niet verantwoord geroddel, met als favoriet thema het liefdesleven van Bette Davis. Heeft een biograaf het ooit eerder in zijn hoofd gehaald om zijn onderwerp aan te duiden als 'een hitsige teef', om haar vervolgens navenant te beschrijven? Quirk betoont zich in zekere zin Bette Davis waardig: hij doet in vulgariteit niet voor haar onder.

Wie deze biografie leest, verbaast zich over Quirks kennis van ontelbare intieme details. Hij weet te vertellen met wie Bette Davis allemaal haar bed deelde, en welke seksuele technieken door welke man werden geprefereerd. Hij weet dat Clark Gable stonk en hoe dat kwam, hij kent de grove grappen die Bette Davis erover maakte, volgens hem uit nijd dat Gable niet inging op haar avances en wel op die van Joan Crawford. Deze animositeit woog zwaar toen Bette Davis uit was op de rol van Scarlett O'Hara in Gone With the Wind, tegenover Gable's Rhett Butler. Daar wijdt Quirk weer bijzonder weinig analytische woorden aan. Hij maakt zich vrolijk over Davis' valsigheden, meer niet. Hij citeert wat Bette Davis in talloze interviews graag vaststelde: 'wij (de filmsterren) waren Hollywood royalty', maar hij vraagt zich niet af waarom Davis zich zo weinig bekommerde om het bijbehorende 'noblesse oblige'. Het is aan iedere biograaf om af te wegen in hoeverre het persoonlijk en erotische leven van de beschrevene relevant is en in hoeverre het kan worden afgedaan met anderhalve zin. Dat Davis werd gekweld door een Casanova-achtige veroveringsdrang had invloed op haar leven en op haar werk en een biograaf mag daar niet aan voorbijgaan. Maar Quirk slaat door, temeer omdat hij over haar stijl van acteren en over haar rollen zo weinig heeft op te merken. Zijn observaties zijn plichtmatig en komen er op neer dat ze haar rollen op vier films na bedierf door overacting en dat dat de schuld was van haar regisseurs. Zelfs over haar plaats in Hollywoods glorietijd schrijft hij monotoon. Haar fameuze ruzies met 'mogul' Jack Warner spit hij niet uit. Warner wordt afgeschilderd als een wispelturige man en eventuele beweegredenen voor zijn maatregelen en besluiten worden niet gezocht. Evenmin komt Quirk toe aan doorvoeld commentaar op het effect dat Warners consequente miskenning van Davis' potentie gehad moet hebben op haar persoonlijkheid. Davis was de Koningin van Warner Brothers en werd daar niet op haar waarde geschat, is de enige boodschap.

Quirk schreef een oppervlakkig boek dat voorbijgaat aan de eigen bestaansgrond: immers, hij zou het nooit hebben kunnen schrijven als Bette Davis inderdaad niet meer was dan de opvliegende 'hitsige teef' die hij van haar maakt. Uit zijn boek kan worden opgemaakt dat de actrice pathologisch destructief was, dat ze zich er niet van kon weerhouden zichzelf prive en in haar werk onmogelijk te maken. Die neiging bepaalde haar carriere en daar had het boek zich mee bezig moeten houden. Lawrence J. Quirk droeg al het materiaal aan, maar hem ontbrak inzicht in het belang ervan.

Leugens

Minder goed geinformeerd maar veel interessanter is het, ook net uitgekomen, boek van Whitney Stine over Bette Davis. Stine ontleende zijn titel ook aan een citaat van een van Davis' filmpersonages: 'I'd Love to Kiss You' (Uit Cabin in the Cotton; het vervolg '... but I just washed my hair' ontbreekt). De ondertitel verraadt de zwakte van Stine's aanpak: Conversations with Bette Davis. Davis zelf is de voornaamste bron en wie eerst Quirks werk las, betrapt haar op leugens die Stine niet wist te pareren. Maar zelfs wie niet over de kennis beschikt om Davis op zulke punten te doorzien, krijgt van Stine een groter inzicht in haar wezen dan van Quirk.

Whitney Stine was in de allereerste plaats een fan van Bette Davis. Jarenlang verzamelde hij iedere snipper informatie over haar en hij bracht zijn kennis tenslotte samen in een boek over haar carriere. Mother Goddam noemde hij het en hij wist Davis te verleiden om het te voorzien van voetnoten. Uit die samenwerking ontstond iets wat je een vriendschap zou kunnen noemen. Vanaf 1972 ging Stine regelmatig op bezoek bij Davis, inmiddels bejaard maar nog steeds uit op werk, desnoods in horrorfilms voor de videotheek. Na ieder gesprek maakte hij de aantekeningen, die de basis vormden voor 'I'd Love to Kiss You'. Het werd een verzameling liefdevolle schetsjes. Soms wat klef, maar Stine is niet blind. Hij vergoeilijkt alles, hij verhult niets. De belangrijkste elementen uit Davis' carriere komen aan de orde en waar Quirk faalt, brengt Stine licht. De zorgvuldig ontwikkeling van de 'Davis-look' wordt bijvoorbeeld besproken en op veel van haar rollen wordt dieper ingegaan dan Quirk nodig achtte. Verschillende keren brengt Stine ook haar gedrag ter sprake en hij laat zien hoe Davis wat dat betreft geen flintertje zelfkennis heeft. Stine suggereert dat Davis altijd, tot en met de tijd dat hij haar kende, gebukt is gegaan onder haar uiterlijk. Ze ging prat op haar in die tijd ongebruikelijke moed om zich 'lelijk' te laten schminken als haar rol dat van haar vroeg (het slot van Of Human Bondage bijvoorbeeld). Ze was er trots op in dat opzicht de meerdere te zijn van bijvoorbeeld Joan Crawford die, wat ze ook speelde, stond op een filmsterren-gezicht en -figuur: '... daar waren ze [Crawfords borsten] ze staken omhoog als een tweeling-Matterhorn' smaalt ze over Crawfords optreden als 'uitgemergeld' wezen in Whatever Happened to Baby Jane. Maar Davis wilde er alleen slecht uitzien op het moment dat zij daar zelf voor koos. Dat geen cameraman een zestigjarig gezicht kan filmen als was het vijfendertig bleef voor haar onacceptabel.

Belangrijke omissies bij Quirk, zoals Davis' houding tijdens McCarthy's communistenjacht in Hollywood of het weinig vriendelijke boek dat haar dochter Barbara over haar schreef, worden door Stine ingevuld. De rivalen Miriam Hopkins en Joan Crawford worden fel en kwaadaardig beroddeld door Davis, maar dank zij Stine's subtiele commentaar verhelderen die passages de relaties tussen de partijen en de manier waarop men in Hollywood met elkaar dacht te moeten omgaan.

Toch blijft Stine in gebreke. Om Davis werkelijk te treffen adoreert hij haar te sterk. Hij onderzoekt niet waarom ze zo weinig rollen werkelijk goed speelde, terwijl ze wel over het talent beschikte. Hij vraagt zich niet af wat haar bezielt om te pas en te onpas citaten van lang geleden gespeelde personages te spuien, net of ze van haar zelf waren en niet bedacht door een scenarioschijver.

Rivalen

De antwoorden op die vragen gaan schuil achter een boektitel die dat niet doet vermoeden. Bette en Joan. The Divine Feud noemde de Newyorkse schrijver Shaun Considine zijn studie en daardoor verwacht je een kletstekst in boulevardblad-stijl. Het kan niet ontkend worden dat Bette en Joan soms sensationeel van toon en inhoud is, maar smakeloos wordt Considine nooit en evenmin laat hij zich betrappen op louche bronnen. Bette en Joan neemt de juiste afstand in acht. Er is geen sprake van kwaadaardige verering (Quirk) of kritiekloze adoratie (Stine). Considine interesseert zich voor het fenomeen 'filmster' en om dat te onderzoeken selecteerde hij de twee vrouwen die het meest leefden naar die term en die in het Ster-zijn hun levensvervulling zochten.

Aanknopingspunt is hun rivaliteit, die vooral door toedoen van Bette Davis groteske vormen aannam. Dat uitgangspunt stelt Considine in de gelegenheid een adequate biografie te schrijven van zowel Bette Davis als van Joan Crawford. Daarnaast (en daar doorheen) vond hij ruimte voor een beschouwing over de manier waarop Hollywood functioneerde. Bette Davis had er het meeste onder te lijden en daardoor komen vooral haar spel, haar films, haar escapades aan de orde.

Considine beschrijft het Studio-systeem en illustreert de werking ervan door aan te tonen dat Bette Davis bij de verkeerde studio zat. Ze was onder contract van Warner Brothers het huis waar vooral gangster- en dus mannen-films werden gemaakt. Wat men met Davis aanmoest wist men niet goed en dat werd alleen maar erger toen ze een groot publiek bleek aan te spreken. Men had er geen idee van hoe haar acteertalent, haar aantrekkinskracht en dus haar commerciele waarde uit te buiten.

Glamour

Bette Davis had onder contract moeten staan van MGM concludeert Considine de onbetwiste producent op het gebied van wufte vrouwenfilms en de thuishaven van Crawford. Niet dat een acteur daar beter af was dan bij Warner, maar MGM pakte zijn de sterren in, met de bijbehorende weelde, glamour en alle egards, zowel door de keuze van hun rollen als door de luxe van hun kleedkamers.

Davis was een toegewijd actrice maar ze eiste ook het recht om een echte filmster te zijn. Hemel en aarde bewoog ze om van Warner Bros. een MGM-behandeling te krijgen. Wie weet was men daar zelfs van goede wil, maar Jack Warner begreep toch niet wat Davis van hem verlangde. Vandaar die haat tegen alle andere actrices. Ze keek op ze neer en zag hoe deze kneuzen een benijdenswaardige positie hadden veroverd. Vandaar het gehamer op wat zij professionalisme noemde, maar wat neerkwam op de volledige onderwerping van letterlijk iedereen aan haar voordeel. Vandaar het steeds herhalen van dezelfde kunstjes, welke rol ze ook speelde. Vandaar de enkele toevalstreffers in een groot oeuvre vol mislukte rollen. Vandaar dat levenslang in stand houden van een zelfbedachte, kwaaie legende.

Wie maar lang genoeg zonder succes droomt, raakt verstrikt in een nachtmerrie, zeker als hij over een zo uitgesproken karakter beschikt als Davis. Davis' nachtmerrie heette Joan Crawford. Die belandde uiteindelijk ook bij Warner Bros., toevallig op het moment dat daar het inzicht daagde wat zulke actrices kunnen betekenen voor een studio en omgekeerd. Joan Crawford speelde de sterren van de hemel in het film noir-drama Mildred Pierce (1946) en stond aan het begin van een tweede carriere. Wegbereidster Bette Davis verliet in 1949, min of meer afgedankt, Warner Bros. voor een onzekere carriere die nog tot diep in de jaren tachtig zou duren en die nog slechts slechts twee of drie volwaardige rollen zou kennen.

Bette Davis was een verschrikkelijk mens. Dat was moeilijk te verdragen voor de mensen met wie ze werkte en nog moeilijker voor wie met haar moest leven. Bette Davis pleegde een levenslange zelfmoord, met haar gefnuikt talent als langzaam werkend gif.

Lawrence J. Quirk: Fasten Your Seat Belts. The Passionate Life of Bette Davis. Uitg. Morrow, 464 blz. Prijs fl. 52,25. Whitney Stine: 'I'd Love to Kiss You... '. Conversations with Bette Davis. Uitg. Simon en Schuster, 304 blz. Prijs fl. 47,50. Shaun Considine: Bette en Joan. The Divine Feud. Uitg. Dutton, 451 blz. Prijs fl. 47,50 (geb.) en fl. 24,50 (paperback).