De schrijvende president (3)

Is Vaclav Havel van zijn voetstuk gevallen toen hij collega Kurt Waldheim in Salzburg een hand gaf? Het is voor de Tsjechische president een goed onderwerp om een toneelstuk over te schrijven als hij zijn oude beroep weer heeft opgevat.

Van zijn voetstuk vallen is een van de eenvoudigste dingen die iemand in het publiek kan doen. Dat hoeft niet nader te worden uitgelegd. Havel is de kampioen van de Tsjechische vrijheid, hij heeft het nooit op een akkoordje gegooid met de communisten, men heeft hem opgesloten, hij liet zich niet tot zwijgen brengen maar bleef uitleggen waarom het regime niet deugde en daarbij is hij zo welsprekend en overtuigend geweest dat men de schrijver tot president heeft gekozen.

Waldheim is secretaris-generaal van de Verenigde Naties geweest en daarna president van Oostenrijk geworden. Een prachtige loopbaan waarbij hij voortdurend geheim heeft weten te houden dat hij als lid van de Duitse Wehrmacht in Joegoslavie heeft meegewerkt aan deportaties. Het is toch uitgekomen. Hij heeft geprobeerd zijn afgang met leugens te dekken en daarbij de ene positie na de andere moeten prijsgeven. Niettemin heeft een meerderheid der Oostenrijkers hem de beste man voor het presidentschap gevonden. Tot vorige week heeft de internationale gemeenschap der staatshoofden hem in quarantaine gehouden, hij mocht niet meer in de Verenigde Staten komen en niemand ging bij hem op bezoek. Havel en Waldheim: antipoden.

Toen bekend werd dat Havel naar Salzburg zou gaan, is van alle kanten geprotesteerd. Joden uit alle delen van de wereld als de eerstbetrokkenen, Joegoslaven en ook vrienden van Havel uit Charta '77 hebben hem bezworen niet te gaan. Niettemin: de Festspiele, en de handdruk waarmee Havel zich door Waldheim 'van zijn voetstuk heeft laten trekken'. Als Havel voor het nooit geinstalleerde maar altijd parate hof van de zuivere moraal was gedaagd, had hij denk ik levenslang voorwaardelijk gekregen.

Wat zeggen de advocaten? Ten eerste dat de uitnodiging uit Salzburg al meer dan een jaar oud is. Havel heeft toen geaccepteerd in de veronderstelling dat hij dit jaar, omstreeks deze tijd, zich nog altijd aan deze of de andere kant van een Tsjechische gevangenisdrempel zou bevinden. 'Ik schrijf een toespraak en die laat ik daar voorlezen, ' heeft hij toen gedacht, want daar had hij al ervaring mee. 'Dreig ik op zo'n manier moeilijkheden tussen staatshoofden te veroorzaken, dan schrappen zij het ergste er maar uit.'

Op dat ogenblijk kwam het nog niet in zijn hoofd op dat hij de buurman-collega van Waldheim zou zijn, laat staan dat zij elkaar de hand zouden drukken.

Het gaat niet aan, plotseling terug te krabbelen voor zo'n probleem als je je reputatie juist aan het niet-terugkrabbelen te danken hebt, en dit nog afgezien van de vraag wat je er persoonlijk van vindt, dus ongeacht de eventuele zorg om je reputatie. Havel heeft daarom een toespraak gehouden die door de internationale pers inmiddels zeer is geprezen. In Midden-Europa, zei hij ongeveer, vreest men de geschiedenis omdat men bang is voor het verleden zowel als voor de toekomst. 'Hij die bang is voor wat nog gaat komen, koestert ook angst voor wat is geweest. En wie zijn eigen verleden niet onder ogen wil zien, zal onvermijdelijk ook angst koesteren voor wat in het verschiet ligt. Al te vaak moet men vaststellen dat in dit deel van de wereld de angst voor leugens uit het verleden tot nieuwe leugens leidt, waarbij men de vergeefse hoop koestert dat de ene leugen niet alleen de andere aan de waarneming zal onttrekken maar ook het liegen zelf zal verdoezelen.' Het is een praktijk die niet tot Midden-Europa beperkt blijft; dat is misschien een verzachtende omstandigheid voor Waldheim, maar zo had Havel zijn woorden natuurlijk niet bedoeld. Het was een regelrechte boodschap aan de Oostenrijkse president zelf.

Nu kon men zien dat Waldheim meer ervaring heeft. Nog dezelfde avond verscheen hij op de televisie om te verklaren dat Havel onmogelijk hem kon heben bedoeld. Men ziet het trouwhartige gezicht voor zich. Bij mij in de klas hadden we een jongetje dat geweldig kon stinken. Begon de docent in zijn richting te kijken, dan priemde hij bijvoorbaat zijn wijsvinger tegen zijn borstbeen en riep: 'Ik niet meneer!' De vroegere hoofdredacteur van de New York Times, nu columnist A. M. Rosenthal, heeft het Havel bijzonder lastig gemaakt. Eindelijk kunnen we weer gerust ademhalen, zo vat ik hem samen. Ook Havel is geen heilige. Ook deze strijder voor de vrijheid is in staat, een steek te laten vallen. Het is intussen wel de ergste steek die hij voor zijn rekening kan nemen. Vervolgens beschrijft Rosenthal de ernst van het geval. De rede van Havel komt in zijn stukje met een woord voor.

Had Havel dan maar geen president moeten worden? Had hij in de woorden van de Liberation het politieke kadaver Waldheim nog eens bij zijn naam moeten noemen om hem daarna een fikse schrobbering te geven? Bij de opening van de Salzburger Festspiele? Het had in ieder geval geschiedenis gemaakt waarvoor de toneelschrijver zich niet hoefde te schamen.

Maar zo'n toeschouwerscommentaar: is dat niet al te gemakkelijk? Toneelschrijver is een beroep, president een ander. Je kunt waarschijnlijk beter eerst president zijn of hoofdredacteur en dan gaan schrijven, in plaats van andersom. Max Weber heeft het al op zijn duidelijkst uitgelegd: de politieke moraal is een andere dan de absolute. Daarover, dat weet ik zeker, kan ik de rest van deze pagina volschrijven. Schrille voorbeelden van dichtbij en ver weg. A. M. Rosenthal heeft zich na zijn hoofdredacteurschap meer en meer gespecialiseerd in het hooghouden van de morele gouden standaard. Maar voor iedereen is het een kwestie van tijd voor hij of zij natuurlijk deze onmisbare maatlat even uit het oog verliest. De opvatting van de moraal is regelrecht afhankelijk van de verantwoordelijkheid die men zichzelf toeschrijft.

De eerdere stukjes over De schrijvende president verschenen op 2 en 9 februari.