Cultureel provincialisme

WEINIG LIJKT nog te kunnen verhinderen dat op 1 januari van het volgende jaar het Productiefonds voor Nederlandse Literatuur in werking treedt. Dit fonds, dat voor het eerst werd genoemd in de recente Letterenbrief van minister d'Ancona, krijgt tot taak al het geld te verdelen dat de Nederlandse overheid jaarlijks beschikbaar stelt voor literaire tijdschriften, bijzondere boekuitgaven en voor vertalingen van Nederlandse literatuur in het buitenland. Over de inrichting van dit produktiefonds wordt op dit moment nog druk overleg gevoerd met de verschillende belanghebbenden, maar een ding staat nu al vast: het wordt een door en door Nederlands fonds. De bestuursleden zullen allen de Nederlandse nationaliteit moeten hebben en de te subsidieren boeken, tijdschriften en vertalingen zullen uitsluitend Nederlandse literatuur mogen bevatten.

Tegelijkertijd is de Vlaamse deelregering druk in de weer een geheel autonoom Belgisch vertaalbeleid op te zetten. Belgisch geld dat jarenlang werd overgemaakt naar de Vlaams-Nederlandse Stichting voor Vertalingen wordt met ingang van dit jaar door de Vlamingen zelf verdeeld, waarbij nauwlettend wordt nagegaan of alle subsidies wel volledig aan de Vlaamse literauur ten goede komen. Met deze gang van zaken doen de beide regeringen een grote stap terug op de weg naar een gemeenschappelijk cultureel beleid. Terwijl aan weerskanten van de grens ministers nog altijd de mond vol hebben van integratie, wisselwerking, taalgemeenschap en cultuurbescherming, ontwikkelen ze in de praktijk een beleid dat precies de andere kant op gaat. Een Vlaams schrijver zal zich in de toekomst dan ook wel driemaal moeten bedenken voor hij besluit een Nederlandse uitgever te benaderen. En Nederlandse tijdschriften zullen misschien wel moeten gaan bijhouden welk paspoort hun medewerkers op zak dragen. Voor ze het weten worden ze als Belgisch tijdschrift beschouwd en raken ze hun steun uit het Nederlandse produktiefonds kwijt. Waar tijdschriften en uitgevers in de praktijk al lang niet meer eng nationaal bezig zijn, dreigen regeringen nu de klok terug te draaien. OVER DE VRAAG wie de schuld is van deze misere kunnen ambtenaren en politici zonder twijfel nog vele jaren ruzie maken, al kan enige arrogantie in Holland worden vermoed. Zeker is dat noch d'Ancona noch haar Vlaamse collega Dewael uitmunten in diplomatie en tact. Maar de Nederlandstalige literatuur komt daar niet verder mee. Beter zou zijn als de Nederlandse regering nu onmiddellijk in Belgie nagaat hoe er samen een literair produktiefonds kan worden opgezet. Zo'n fonds zou zich moeten richten op belangrijke uitgaven in Nederland en Belgie, maar zeker ook op steun aan de Nederlandstalige literatuur in de rest van de wereld, waar Fransen, Engelsen, Duitsers en Spanjaarden op dit moment in hoog tempo bezig zijn hun culturele invloedssfeer uit te breiden. Recente uitlatingen van de Vlaamse minister van cultuur Dewael laten zien dat de Belgen van de noodzaak van zo'n samenwerking overtuigd zijn. Laat Nederland nu snel de uitgestoken hand aanpakken.