Bevordering van welzijn kan niet zonder economische groei

Goede ideeen komen zelden alleen. Het bewijs van deze stelling, dat een idee waarvoor de tijd rijp is op het zelfde moment van verschillende kanten naar voren wordt gebracht, wordt geleverd door nieuwe voorstellen om de ontwikkelingslanden uit hun moeilijke parket te helpen. Drie zeer recente rapporten geven even zovele signalen van een kentering in het denken over sociaal-economisch beleid en politieke kaders in ontwikkelingslanden.

Zo brengt de 'Zuid Commissie' vandaag haar rapport The Challenge to the South (De uitdaging aan het Zuiden) uit, dat een uitstekende weergave is van het 'nieuwe denken'. Dit is ontstaan als reactie op de negatieve ervaring in de jaren tachtig met ontwikkelingspolitiek in Afrika, Latijns Amerika en gedeelten van West- en Zuid-Azie. Het gemiddelde inkomen per hoofd van de bevolking daalde, de inkomensongelijkheid steeg, vooruitgang op het gebied van gezondheidszorg en onderwijs werd gestremd, de voedselsituatie bleef verward en de staat verloor zijn greep op de macht aan duistere figuren.

De nieuwe ideeen zijn ook een reactie op de netto-overdracht van financiele middelen van arme naar rijke landen in plaats van andersom en dit terwijl die rijke landen sinds 1982 een ononderbroken economische groei hebben gekend.

Het rapport van de Zuid Commissie een groep onafhankelijke personen uit de ontwikkelingslanden en gefinancierd door deze landen keert terug naar de fundamentele prioriteiten die het Zuiden, de landen van de Derde wereld, zich moet stellen, en wel op de eerste plaats armoedebestrijding, schepping van produktieve werkgelegenheid, bevrediging van basisbehoeften, hoge economische groei met een redelijke inkomensverdeling.

Het 'nieuwe denken' is, zo blijkt, niet geheel nieuw. Er zijn sterke echo's in waar te nemen van denkbeelden die in de jaren zeventig werden geopperd en die in de jaren tachtig werden verlaten. Maar deze vertrouwde fundamentele prioriteiten zijn geplaatst in een politiek- en besluitvormingskader voor de jaren negentig waarin de ervaring van de jaren tachtig is verwerkt: politieke democratie, mensenrechten, bescherming van het natuurlijke milieu, en gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen.

Niets voor niets

De Zuid Commissie aanvaardt dat in dit ondermaanse niets voor niets wordt geleverd en dat de ontwikkelingslanden dus veel meer op eigen kracht moeten rekenen, hun eigen motor moeten bouwen. De strategie die in het rapport wordt voorgestaan is er een van vertrouwen op eigen inspanning in een ontwikkelingsproces waaraan ieder zijn steentje kan bijdragen. Er is dus sprake van een terugkeer naar fundamentele doelstellingen en prioriteiten, maar het is niet zo dat de voorgestelde ideeen slechts herkauwd vroeger denken inhouden. De ervaring van de jaren tachtig is geabsorbeerd en de lessen zijn geleerd.

Hierbij sluit het Human Development Report (Rapport over ontwikkeling van menselijk welzijn) aan, dat enkele weken geleden het licht zag. Het is uitgegeven door het UNDP (het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties dat de meeste technische hulp van de VN-organisaties financiert). Dit geschrift brengt ons terug naar het belangrijke punt dat niet de materiele produktie maar het menselijk welzijn de maatstaf aller dingen moet zijn, dat politieke vrijheid een onmisbare bron is van menselijke ontwikkeling en stimulatie, dat de staat daarom moet worden geherstructureerd, eerder dan een kopje kleiner worden gemaakt, en dat de markt goed is voor de materiele produktie maar niet voor een betere sociale, menswaardige orde.

Het onlangs gepubliceerde World Development Report 1990 (Wereldontwikkelingsrapport 1990) van de Wereldbank, dat armoede als centraal thema heeft gekozen na zich tien jaar lang met andere zaken te hebben beziggehouden, geeft iets meer de indruk van deja vu dan de twee andere publikaties, maar markeert toch een welkome verandering van de thema's die de Wereldbank gedurende de jaren tachtig hebben gedomineerd, zoals stabilisatie, privatisering, deregulering, herstructurering en de omvang van de staat.

Verfrissend

Hoewel het rapport conceptueel te kort schiet het verband tussen armoede en inkomensverdeling is bijvoorbeeld slecht geanalyseerd is het verfrissend in zijn toon en beleidsvoorschriften. Zo zegt de Wereldbank nu zonder omhaal dat voor een verbetering van het bestaan van de armen de volgende maatregelen essentieel zijn: 1. het realiseren van eenarbeidsintensiever economisch groeipatroon; 2. het voorzien in debasisbehoeften op gebieden als onderwijs en gezondheidszorg; 3. het opzetten van een sociaal vangnet met deinkomensoverdrachten daarvan.

Zo zien we het begin van een overgang van de nadruk op het marktmechanisme en materiele groei in de jaren tachtig naar het onderstrepen van menselijke ontplooiing, politieke vrijheid, en verdelende rechtvaardigheid in de jaren negentig. De drie rapporten en dat komt het duidelijkst naar voren in het rapport van de Zuid Commissie hebben drie punten gemeen: 1. een sterke nadruk op nationaledemocratie en plaatselijke deelneming in de besluitvorming als een bron zowel van de inviduele zelfverwezenlijking als van nationale economische groei; 2. erkenning vanhet feit dat sociaal-economische ontwikkeling grotendeels een nationale verantwoordelijkheid is en dat men niet te veel mag verwachten van de internationale krachten vandaar een pleidooi voor het meer op eigen benen staan ('self reliance') 3. het gevenvan een prominente rol aan wetenschap en technologie als de sleutel voor aansluiting bij de wereldeconomie.

De prioriteiten van het beleid in de ontwikkelingslanden zijn: het halt toeroepen aan de verloedering en de armoede, de ontplooiing van de individuele mens als sleutelbegrip van het nieuwe beleid, het voorzien in werkgelegenheid en basisbehoeften en 'verdelende rechtvaardigheid'. Het zijn blijken van een welkome omslag in het denken. Vooral in een periode waarin de poging tot aanhaken van Oost-Europa aan de wereldeconomie alle aandacht krijgt, maar het afhaken en verloederen van vele ontwikkelingslanden het Westen niet warm of koud doet worden. Als bewijs van dit laatste hoeft men slechts de Verklaring van Houston te lezen die de top van de zeven geindustrialiseerde landen kortgeleden uitgaf.

Doel en middel

De aanbevelingen gaan helaas niet ver genoeg. Menselijke ontplooiing is een einddoel; politieke democratie is cruciaal, zeker, maar de verhoging van de materiele produktie is een onmisbaar middel. En hier schieten de rapporten te kort.

De moed ontbreekt duidelijk op tafel te leggen dat de ontwikkelingslanden slechts een kans maken uit de put omhoog te krabbelen als ze een economische groei realiseren over de komende periode van ten minste 10 procent per jaar. Zo'n versnelling van de groei is nodig om de aanwas van de beroepsbevolking van een kleine 3 procent bij te houden en rekening te houden met een produktiviteitsstijging van eveneens 3 procent. Met een economische groei van 6 a 7 procent of minder verslechtert de werkgelegenheid en dus de inkomenssituatie en gaat de verloedering en marginalisering van de Derde wereld onverminderd verder. Dat dit laatste zal leiden tot een explosieve situatie van de wereldeconomie, daarvan wil niemand zich nog rekenschap geven.

Is 10 procent onmogelijk? Welnee. China (meer dan 20 procent van de wereldbevolking) heeft dat gepresteerd tussen 1978 en 1988; de Oostaziatische landen, inclusief Japan, Korea en Taiwan, hebben het verwezenlijkt of zijn er mee bezig; Thailand doet het en straks Maleisie en Indonesie.

De drie rapporten zijn op de goede weg door de juiste prioriteiten en beleidsaanbevelingen aan te geven: mensenlijke ontplooiing, individuele participatie en politieke vrijheid. Maar wat landen groot heeft gemaakt is de unieke combinatie van politieke vrijheid en economische efficientie. Wanneer een van beide ontbreekt is de maatschappij op de lange duur in gevaar.