Zeventiende-eeuws wit

Publikaties die een overzicht beogen te geven van het Nederlandse aardewerk uit de zeventiende en achttiende eeuw behandelen niet of nauwelijks de witgeglazuurde, maar voor 't overige ongedecoreerde gebruiksartikelen. Alle aandacht gaat uit naar het beroemde blauw-witte en meerkleurige aardewerk. Een ongeschreven wet dicteert de auteurs: wat niet versierd is, verdient geen bespreking. Zo mogelijk nog neerbuigender is de visie dat effen wit aardewerk per ongeluk ongedecoreerd is gebleven en dat we hier dus met een soort halffabrikaat te maken hebben.

Opgravingen in Amsterdam (maar natuurlijk ook elders) leggen de laatste decennia grote hoeveelheden van dit sobere, witte eet- en drinkgerei bloot. Recent onderzoek heeft uitgewezen dat de vroeg zeventiende-eeuwse bodemlagen vooral Italiaanse schotels, kannen en borden bevatten, geimporteerd uit Faenza, de Noorditaliaanse pottenbakkersstad die zijn verfranste naam heeft gegeven aan het begrip 'faience', een met ondoorzichtig tinglazuur bedekt poreus aardewerk. Pas na 1640 zet de produktie van dit aardewerk ook in Nederland (niet uitsluitend in Delft) door en dan ook wordt het betaalbaar voor grote groepen burgers. Uiteindelijk is het in geen enkele zeventiende- of achttiende-eeuwse Nederlandse keuken meer weg te denken.

Die laatste omstandigheid heeft natuurlijk veel bijgedragen aan de geringe interesse voor het onderwerp: er is heel wat cultuurwetenschappelijke 'upgrading' nodig om van een gebarsten mosterdpotje waarvan het tinnen dekseltje werd afgeslagen voordat de keukenmeid het in de afvalput gooide een indrukwekkend vitrinestuk te maken.

Op de zolderverdieping van het Amsterdams Historisch Museum staat tot eind september een keuze uit de Italiaanse en Nederlandse bodemvondsten geexposeerd. Het Nederlandse faience heeft een voorbeeld genomen aan het Italiaanse en grote verschillen tussen beide nationaliteiten zijn er niet. Het repertoire aan artikelen is bijna gelijk. Bij de vijf nachtspiegels ontbreken Italiaanse exemplaren, maar zoutvaten, papkommen, wijnkannen en schulpschotels staan in Zuidelijke en Noordelijke varianten broederlijk naast elkaar.

De Italiaanse schulpschotels zijn wat eleganter van vorm en hun schulpen zijn wat kantiger dan bij de Nederlandse navolgers. Papkommen hebben identieke vormen. De prijs voor de mooiste handvatten gaat echter naar Faenza. Een van de importkommen bezit twee oren in de vorm van een blank vrouwengezichtje, omlijst door een krans van stevig gepermanente krullen.

Typisch voor de Nederlandse produktie zijn de kleinere plooischotels met een doorsnede van 15 cm. Ze werden gebruikt als boterschoteltjes. Het was in de zeventiende eeuw en wie brak zich toen het hoofd over verzadigde en onverzadigde vetzuren niet ongewoon, gasten bij het ontbijt verschillende botersoorten zoals Goudse, Tesselse en Delftse varieteiten, aan te bieden.

De bijschriften bij de voorwerpen wijzen de bezoekers op de kenmerken van het Italiaanse en Nederlandse glazuur. Het Italiaanse faience is bedekt met een zeer dik en wit glazuur, maar dat laatste hoeft niet mooier te zijn in het gamma aan glazuurtinten dat loopt van roomkleur tot een koel grijsachtig rose.

Twee opgegraven Duitse kannen detoneren in dit witte gezelschap. Ze zijn uitgevoerd in gres of steengoed en opgesmukt met reliefdecoraties en een hard blauw glazuur. Ook zonder ze in de hand te nemen, weet je dat ze stug aanvoelen en metalig klinken. De vorm van de bierkan en van de wijnkan is gelijk aan die van de witte faience drankkannen, maar materiaal en decoratie maken ze tot 'Fremdkorper', niet zozeer in de Amsterdamse bodem als wel in de Amsterdamse vitrines.