Padvinders achter de tralies

Het scenario van Weeds gaat niet terug op een roman, autobiografie of toneelstuk. Een speciaal voor deze film bedacht verhaal lag eraan ten grondslag. Maar wie Weeds bekijkt, kan niet anders dan getroffen worden door het werkelijkheidsgehalte. Niet dat het vertelde daar aanleiding toe geeft. Een levenslang gevangene die het door zelfstudie schopt tot toneelschrijver, -regisseur en -acteur en dat talent na zijn onverwachte vrijlating verder weet te ontwikkelen, is slechts te classificeren als de wensdroom van een reclasseringsambtenaar.

De vormgeving van Weeds is wat dat realiteitsgehalte betreft dubbelzinnig. Aan de ene kant presenteert regisseur John Hancock zijn personages of het een documentaire betreft. Hij stelt hen voor in zogenaamde 'medium shots', ruime 'portretten' met hun namen in drukletters onder hun kin, en een regeltje waarin wordt medegedeeld wat voor misdaad ze begingen en hoeveel jaar gevangenisstraf ze uitzitten.

De eerste indruk die we van de gevangenis krijgen is echter weer geen reele, maar een cinematografisch vertaalde: een ijzig blauwe sfeer begeleidt de gevangenen die we, allemaal tegelijk, op de verschillende etages van de ronde balustraden hun cellen zien verlaten. Zonder woorden sloffen ze voort, in hun sjofele blauwe uniformen, met hun grauw-blauw belichte gezichten. De onverdragelijkheid van het constant collectieve bestaan wordt onderstreept doordat de gevangenen aanvankelijk steeds in kuddes in het kader worden gedwongen. Het individuele leed komt daarna aan de orde, in korte close-ups van uitgedoofde gezichten.

Het is dit schijnbaar niet kunnen kiezen tussen volgens stilistische principes vormgegeven gevoel en documentaire werkelijkheid dat Weeds boeiend maakt. Hoe John Hancock zo precies die toon heeft weten te treffen, behoeft extra informatie. Hancock maakte zo'n elf jaar geleden als toneelregisseur van dichtbij mee wat hij voor Weeds tot fictie verwerkte. Want het onmogelijke is werkelijk gebeurd: Rick Cluchey, een bankrover die elf jaar gevangenisstraf uitzat, tourde met een groep ex-gevangenen als acteurs door de VS met 'De kooi', een stuk dat hij achter de tralies schreef.

Hancock ontkent terecht dat Weeds het verhaal van Cluchey en zijn gezelschap zou zijn. Hij verwerkte hun belevenissen. De kracht ervan ligt echter in de incidenten die te mal of merkwaardig lijken om waar te zijn, maar die vermoedelijk werkelijk zo voorvielen.

Op bepaalde punten verzwakte Hancock wat hij vertelt, door onvoldoende realistisch te zijn. Dat het leven in de St. Quentin-gevangenis afgrijselijk is, vernemen we uit fragmenten van het stuk dat het 'IJzerdraad Toneel Gezelschap' speelt. Feiten over dat gevangenisleven naar buiten brengen is de belangrijkste reden voor de oprichting ervan. Hancock introduceert ons in de gevangenis en suggereert op elegante manier een niet malse omgeving. Maar werkelijk bedreigend wordt het niet eerder lijkt het een bijzonder streng geleide padvindersclub.

Ook wat betreft de achtergrond van de toneelgroepleden had Hancock feller mogen zijn. Van allemaal weten we wat hun vergrijp was, maar geen van allen zijn ze ooit werkelijk gevaarlijk. Waarom werden zulke aardige, geestige mannen in de gevangenis gestopt, ga je bijna denken. En wordt er dan eens eentje een beetje eng dan neem je dat nauwelijks serieus.

Wat Hancock weer uitstekend lukte, was het portret van de schrijver/regisseur en gewezen roofmoordenaar (sterk gespeeld door Nick Nolte). Zijn twijfels aan zijn talent, zijn verbazing over het eigen in de gevangenis gevormde gedrag en dat van de anderen, zijn enthousiasme en ook zijn zendingsdrang krijgen intrigerend gestalte. Deze man werd niet als misdadiger geboren, maar als iemand met te veel energie en te weinig mogelijkheden om die uit te leven.