Irak

Centraal in het conflict tussen Irak en Koeweit staan pogingen van de Iraakse president Saddam Hussein om fondsen te verwerven voor de wederopbouw van de economie die door de achtjarige oorlog met Iran in grote problemen verkeert.

De pogingen tot wederopbouw van de Iraakse economie worden bemoeilijkt door een buitenlandse schuld van naar schatting 80 miljard dollar, waarvan ongeveer 70 miljard dollar werd geleend om de oorlogsinspanning te financieren. In de afgelopen zes maanden dreigde de wederopbouw geheel tot stilstand te komen omdat de olieprijs met 30 procent daalde. De Iraakse economie is in hoge mate afhankelijk van de olie-export. Meer dan 95 procent van de buitenlandse valuta die Irak verdient is afkomstig uit de oliehandel. De inkomsten uit de olie-export liggen naar schatting tussen 10 en 12 miljard dollar per jaar.

Midden vorig jaar werd de totale buitenlandse schuld van Irak nog geschat op 65 miljard dollar. Ongeveer 30 miljard dollar is het land verschuldigd aan buurlanden, waaronder Koeweit. Naar Islamitisch gebruik wordt over deze leningen geen rente berekend. Irak weigert de schuld af te lossen, met als argument dat Irak ook de Koeweitse belangen heeft verdedigd in de oorlog. Van de Westerse landen is Japan de grootste schuldeiser met een tegoed van 3 miljard dollar, gevolgd door Italie, West-Duitsland, Frankrijk en Turkije. Naar schatting betaalt Irak jaarlijks 3 miljard dollar aan aflossingen op schulden aan het Westen.

Irak heeft zich tot doel gesteld de totale buitenlandse schuld binnen vijf jaar afbetaald te hebben. Volgens financiele specialisten uit het Westen zal het land evenwel pas over vijf jaar kunnen beginnen met het afbetalen van de schuld.

De regering van president Sadam Hussein weigert om nauwkeurige cijfers over de schuld te verstrekken. Volgens diplomaten is de onzekerheid over de omvang van de schuld een van de belangrijkste redenen dat buitenlandse investeerders een afwachtende houding hebben aangenomen ten aanzien van nieuwe projecten in Irak sinds de wapenstilstand van augustus 1988. Buitenlandse investeerders worden ook afgeschrikt door het verschil tussen de officiele koers van de dinar en de koers op de zwarte markt. In Bagdad wordt de officiele koers op 3 dollar gesteld, terwijl in omringende landen slechts 50 dollarcent voor een dinar wordt geboden. Buitenlandse investeerders zijn verplicht om minimaal 50 procent van hun geld om te zetten tegen de officiele koers.

Onduidelijk is ook in hoeverre Bagdad de principes van de vrije markteconomie onderschrijft. Na afloop van de oorlog met Iran lanceerde Saddam Hussein een uitgebreid privatiseringsprogramma. Uiteindelijk zou ruim 20 procent van de Iraakse economie in prive-handen moeten komen. De cruciale energiesector blijft in handen van de staat, met uitzondering van benzinestations.

De privatisering is slechts gedeeltelijk van de grond gekomen. Slechts 40 procent van de bezittingen die Bagdad op de markt heeft gebracht zijn verkocht. Vooral kleine fabrieken vonden aftrek, maar de staat bleef zitten met duurdere bezittingen als luxueuze hotels met een waarde van 50 miljoen dollar.

De privatisering is niet bijster populair onder consumenten. Terwijl de salarissen voor overheidsemployees sinds het begin van de oorlog met Iran zijn bevroren op 450 dollar per maand, zijn de prijzen van consumptiegoederen dramatisch gestegen. Autobanden kosten, uitgaande van de officiele koers, 300 dollar en voor een kleine kleurentelevisie moet 1800 dollar worden betaald.

Het is moeilijk om een gedetailleerd beeld te krijgen van de Iraakse economie omdat er sinds het begin van de oorlog met Iran geen begrotingen meer zijn gepubliceerd. Midden vorig jaar heeft Bagdad wel een verklaring uitgegeven over de economische vooruitgang van het land sinds de revolutie van 1968. Uit dat overzicht blijkt dat de economie, ondanks de oorlog, beduidend gegroeid is. Het nationale inkomen steeg volgens de regering gemiddeld met 15,6 procent per jaar. Onder Irak ligt ongeveer 100 miljard vaten ruwe olie.