Haags topinstituut sluit aan bij universiteit

ROTTERDAM, 2 aug. Het Institute of Social Studies (ISS) in Den Haag gaat samenwerken met de Nederlandse universiteiten, om de door het instituut verleende titels erkend te krijgen. Binnenkort wordt de eerste van een serie overeenkomsten gesloten, met de universiteit van Utrecht. Daarin wordt de uitwisseling van onderwijs en onderzoek geregeld.

De erkenning van ISS-titels is nodig om een gezamenlijke onderzoekschool te kunnen opzetten voor ontwikkelingsstudies, een terrein dat onder meer de economie van de ontwikkelingslanden omvat.

Minister Ritzen (onderwijs) wil dat het ISS waar voornamelijk studenten uit de ontwikkelingslanden studeren daarbij een leidende rol gaat spelen. De universiteiten wordt gevraagd hoogleraren in de deelgebieden van ontwikkelingsstudies aan te wijzen voor een 'board of trustees', die onder meer moet gaan functioneren als een college van decanen voor het instituut.

Volgens de nieuwe rector van het ISS, prof. dr. G. Lycklama a Nijeholt, gaat het college de kwaliteit bewaken van het Angelsaksische equivalent van het doctoraat dat het ISS verleent: de titel van Ph.

D. (doctor of philosophy). 'Als de board-nieuwe-stijl is gevormd, is ook deze titel erkend als doctorstitel', stelt hij. Minister Ritzen heeft een commissie ingesteld die onderzoekt hoe de titel wettelijk eenvoudig kan worden ingepast in het Nederlandse hoger onderwijs.

Deze aanpak heeft de voorkeur boven een in het Nederlandse onderwijsbestel meer gebruikelijke weg: het erkennen van een onderwijsinstelling als 'bijzondere universiteit'. De theologische universiteiten van de diverse kerkgenootschappen zijn daar een voorbeeld van, evenals de onlangs erkende Universiteit voor de Humanistiek.

Oud-minister Deetman voelde hier bij het ISS echter niet voor, omdat het een nieuwe zelfstandige universiteit zou opleveren. Bovendien zou het de huidige, geisoleerde positie van het ISS in het universitaire onderwijs bestendigen.

Door geinstitutionaliseerde samenwerking kunnen ISS en universiteiten gemakkelijker gebruik maken van elkaars kennis en ervaring op het terrein van de ontwikkelingsstudies. Volgens Lycklama werkt de nu gekozen constructie bovendien 'bevruchtend op het wetenschappelijk onderzoek voor de ontwikkelingslanden' aan het ISS. De erkenning van de titulatuur is essentieel voor het ISS, dat van Ritzen het verzoek heeft gekregen een leidende rol te vervullen bij het opzetten van een onderzoekschool of 'graduate school' op het gebied van de ontwikkelingsstudies ofwel 'development studies'. Een van de redenen overigens voor Ritzen om onlangs bij het afscheid van Lycklama's voorganger, de econoom prof. dr. D. J. Wolfson, het ISS ook een stimulerende rol toe te dichten bij de internationalisering van het Nederlandse hoger onderwijs. Het ISS beschikt immers, met bijna veertig jaar ervaring met internationale uitwisseling van studenten en docenten, over een uitgebreid internationaal netwerk.

Het ISS werd in 1952 opgericht en is inmiddels uitgegroeid tot het grootste instituut in Europa voor sociaal-wetenschappelijk onderzoek en hoger onderwijs op het terrein van de ontwikkeling van de Derde wereld.

Daarnaast heeft het ISS een aparte afdeling waar de resultaten van het onderzoek worden vertaald in concrete advisering aan een groot aantal ontwikkelingslanden. Het onderwijs en onderzoek van het instituut is multi-disciplinair en gericht op de problemen in de Derde wereld. De wetenschappelijke staf bestaat voor bijna de helft uit buitenlanders, twintig procent van hen is afkomstig uit de ontwikkelingslanden.

Het ISS heeft een budget van 23 miljoen gulden, waarvan veertig procent afkomstig uit de opbrengst van contractonderzoek en advisering. Daaruit wordt onder meer het onderwijs aan zo'n vierhonderd studenten betaald. Het gaat daarbij vooral om mensen die al enkele jaren werkervaring hebben en straks voor de ontwikkeling van hun land strategische posities gaan bekleden. Van hen is 45 procent afkomstig uit Afrika en veertig procent uit Azie. Zo'n tien procent van de studenten komt uit Midden- en Zuid-Amerika. Ruim de helft van de studenten volgt de vijftien maanden durende opleiding tot 'master' in een van de acht aandachtsgebieden.

De opleiding tot 'master' (het equivalent van het doctoraal-diploma) vormt met het 'postgraduate'-programma al lange tijd de kern van het onderwijs aan het ISS. Pas in 1983 kwamen daar de twee- en vierjarige onderzoekersopleidingen bij. Laatstgenoemde opleiding moet resulteren in een proefschrift dat de titel Ph.

D. oplevert. Jaarlijks beginnen zo'n tien tot vijftien studenten aan de onderzoekersopleiding. Voor meer is er volgens Lycklama onder de huidige omstandigheden geen plaats, want het is 'het maximum voor de ontwikkeling van een dynamische onderzoekschool waar het leveren van goede kwaliteit de belangrijkste doelstelling is'. De belangstelling voor een van de opleidingen en cursussen aan het ISS is altijd aanzienlijk groter dan het aantal beschikbare plaatsen. De sociologe Lycklama, die al sinds 1983 als hoogleraar vrouwen- en ontwikkelingsstudies aan het ISS verbonden is, vindt dat een goede zaak, omdat zo een strenge selectie van de kandidaten mogelijk blijft. 'Kwaliteit is voor ons belangrijker dan kwantiteit', zegt ze. 'Bijna alle afgestudeerden gaan na afloop van hun opleiding terug naar hun land, velen nemen daar straks sleutelposities in.' 'De selectie is voor een deel ook bescherming van de student zelf. Wij laten alleen studenten toe die over voldoende vooropleiding beschikken en van wie het vrijwel zeker is dat de ze opleiding kunnen afronden. Velen zijn pas halverwege hun carriere en hebben hun nek uitgestoken door deze opleiding te willen volgen. Als ze bij de selectie afgewezen worden hoeft dat niet schadelijk te zijn voor hun loopbaan: dat kan immers gebeuren op grond van factoren die ze niet in de hand hebben. Maar als je zakt of je studie niet afmaakt, heeft dat vaak een sterk negatieve invloed op je verdere loopbaan.' Lycklama staat vooral een inhoudelijke samenwerking met de universiteiten voor ogen. Met bestuurlijke samenwerking zijn de ervaringen niet zo gunstig. Haar voorganger probeerde vergeefs aansluiting te krijgen bij een van de drie universiteiten in Zuid-Holland, die in de jaren tachtig de vorming van een federatie aankondigden. Het is bij de aankondiging gebleven.

Zij gaat nu liever snel door op de ingeslagen weg, waarbij het de bedoeling is dat een overeenkomst reeds bestaande samenwerkingsverbanden bekrachtigt en reguleert. Zo zal het aantal 'dubbelbenoemingen' toenemen en zal er een beter gebruik van elkaars kennis en ervaring worden gemaakt. Zij hoopt dat dit over en weer enigszins in gelijke mate gebeurt zodat er geen verrekening van de kosten, met navenante bureaucratie, nodig is. Met gesloten beurzen zaken doen is veel gemakkelijker en past beter bij een volwaardige plaats voor het ISS in het Nederlandse bestel van hoger onderwijs.