EUROPA'S AKKERS LIGGEN OPEN

Europa is de afgelopen twaalf maanden ingrijpend veranderd. In vele hoofdsteden leidde dat tot sprakeloosheid, verwarring, euforie en ongenoegen. Premier Lubbers schreef op verzoek van NRC Handelsblad een opstel waarin hij terugblikt en een tour d'horizon maakt: een inventarisatie van moeilijkheden en mogelijkheden in Europa vanuit Nederlands perspectief.

Toen ik 17 juli 's ochtends vroeg de Bondskanselier belde om hem geluk te wensen met de resultaten van zijn overleg met Gorbatsjov was dit het voorlopig einde van een bijzonder jaar. Hoe kort was het nog maar geleden dat president Bush en Jim Baker op de NAVO-top van Brussel vorig jaar mei vriend en vijand hadden verrast door een veel straffer marstempo voor de onderhandelingen in Wenen voor te stellen.

Mei 1989 het lijkt een eeuw geleden waren Hans van den Broek en ik nog druk in de weer geweest om vooral op verzoek van en in overleg met het Witte Huis de spanningen tussen Londen en Bonn en in Bonn te helpen beheersen, verschillen van mening te overbruggen. Eerst Londen, toen Washington, die bijzondere namiddag op het Witte Huis waarin een paar dingen duidelijk werden.

Duidelijk werd dat toen nog de optie op een modernisering van de Lance-raket open moest blijven, maar dat er bepaald geen haast mee was; dat de nucleaire artillerie zinloos aan het worden was, maar dit nog niet het moment was de afschaffing ervan te proclameren; dat het er nog een keer om ging de lijn-Kohl in Europa pro-Amerikaans en nucleair met mate te steunen, zonder via de lijn-Thatcher pro-nucleair, met vijandbeeld en zonder nuancering in de zogenaamde forward defence de Bondsrepubliek te antagoniseren. Het ging erom met deze tussenkoers tegenstellingen in de Bondsrepubliek, of aardiger gezegd, de accent-verschillen tussen Kohl en Genscher niet te verscherpen.

Op weg naar die NAVO-top herinner ik mij nog goed het optreden van Kohl in het kader van een CDA-congres. Hij was er mild, met een zeer open oog voor Midden- en Oost-Europa, en sprak tegelijkertijd zijn verbondenheid met de Alliantie uit.

Op die NAVO-top van Brussel exponeerde Bush zich als een politicus die in Europa geloofde, die sprak over 'het helen van Europa', zoals hij later die zomer ook tijdens zijn bezoek aan ons land zou doen. Hij zette die lijn kracht bij door zijn zeer forse voorstellen met betrekking tot conventionele wapenvermindering. Daar werd in feite de toon al gezet.

Zo ging het najaar 1989 door. Met de ontmoeting Bush-Gorbatsjov in Malta, waar twee politici elkaar 'bevestigden' en de Koude Oorlog was afgelopen. In datzelfde najaar liet Hans Dietrich Genscher zich van zijn beste kant zien toen de val van de Muur werd ingeleid door Duitsers die via de ambassades in Tsjechoslowakije en Hongarije de DDR ontvluchtten. Het drama van de treinen met vluchtelingen maakte zichtbaar dat de val van het communistisch regime in de DDR nabij was.

Het succes heeft vele vaders en in dit geval denk ik dat dat ook waar is.

Ieder speelde zijn rol. Ja zelfs Margaret Thatcher, hard-liner, maar tevens diegene die als eerste Gorbatsjov al jaren geleden zag 'zitten' en dat ook niet onder stoelen of banken stak.

Zo ontstond al met al een klimaat waarin de regimes in Midden-Europa konden vallen, de Muur kon vallen.

En toen ging het sneller en sneller. Het tien-punten-plan van Kohl, vorig najaar, schokte tal van landen zowel wegens de stoutmoedigheid die het uitstraalde als door het ontbreken van een duidelijke uitspraak over de Oder-Neisse-grens. Vooral op dit laatste punt concentreerde zich de kritiek. Was het respecteren van de grenzen al niet besproken tijdens het souper van de Europese Raad bij Mitterrand voor hettien-punten-plan? Waarom bleef Kohl juist op dat punt zo in raadselen spreken? Maandenlang bleef het duren. Nederland speelde bij de kritiek daarop een grote rol. Vijf keer bevroeg en bekritiseerde ik de Bondskanselier als goede vriend en als minister-president van het land met de langste gemeenschappelijke grens hierover.

Moest dat? Ja, dat moest om de toon van de Duitse eenwording waar wij overigens voor waren duidelijk te zetten.

Terugkijkend mag worden geconcludeerd dat Nederland zich in een constante lijn positief uitgesproken heeft over de Duitse eenwording helderder dan vele andere betrokken landen. Tegelijkertijd heeft Nederland zich bij monde van de minister-president en van de minister van buitenlandse zaken het duidelijkst uitgesproken over de noodzaak geen enkele marge van twijfel over de Oder-Neisse-grens te laten bestaan. Die duidelijkheid heeft gewerkt.

Dit maakte het ook mogelijk vanaf de informele top van Dublin dit voorjaar toen de grenshelderheid er uiteindelijk wel was gekomen Duitse eenwording zonder verdere mitsen en maren en zo snel mogelijk te verwelkomen. Voor deze snelle eenwording heeft Gorbatsjov nu dus het groene licht gegeven. Een groen licht dat overigens niet mogelijk was geweest als de jongste NAVO-top in Londen onder de inspirerende leiding van Bush en Baker niet ruimhartig 'een vernieuwde NAVO' had geschetst met een bijgestelde strategie (minder wapens en vooral minder nucleaire wapens) en een forse rol voor de CVSE. De besluiten van die top zijn van grote betekenis. Zij reiken van nieuwe vertrouwenwekkende maatregelen tot aan 'liaison-offices' voor de (voormalige) Warschaupact-landen en een uitnodiging aan Gorbatsjov toe (wie had het nog over Koude Oorlog?). Er wordt een nieuwe nucleaire strategie ontwikkeld en dit keer wordt de nucleaire artillerie wel geelimineerd. In feite gaat het om een zeer forse stap in de richting van het Franse denken over kernwapens. Eigenlijk was het daarom toch merkwaardig dat president Mitterrand daarop in Londen niet positiever reageerde of was het omdat hij aanvoelde dat er nu nog minder reden was voor een Franse 'Alleingang' in het bondgenootschap? Voorts werden aanzienlijke troepenreducties in Europa in het vooruitzicht gesteld met een plafond in Duitsland als onderdeel van plafonds in heel Europa.

Tenslotte is er ruimte geschapen voor een institutionalisering van het CVSE-proces die het mogelijk maakt het einde van het Warschaupact te legitimeren en in Europa als geheel niet alleen oorlog te voorkomen maar ook vrede inhoud te geven.

Een vrede in Europa die aan de voet van de jaren negentig onder meer zal worden gekenmerkt door aanzienlijke troepenreducties. Aandacht en begeleiding zijn nodig, om 'demoralisering' bij de legeronderdelen in de betrokken landen te voorkomen. Dit proces van verandering kan een positieve inhoud krijgen door te gaan nadenken over een gemeenschappelijke Europese veiligheidsinspanning ingebed in het kader van de Verenigde Naties gericht op bevordering van veiligheid, op het verminderen en beheersen van regionale conflicten ook buiten Europa en op het verzekeren van veiligheid opdat er overal minder wapens nodig zijn, minder bloed hoeft te worden vergoten, minder vluchtelingenstromen ontstaan en meer ruimte komt voor echte ontwikkelingen. Maar prudentie blijft geboden. Die inspanningen kunnen van nu af aan vorm krijgen in een gedeelde, een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van Oost en West. Wij kijken inderdaad terug op twaalf bijzondere maanden. De Europese Gemeenschap is in zijn succesformule zeker een van de 'vaders' van de gelukkige ontwikkelingen in Midden- en Oost-Europa.

De Gemeenschap is ook middel om het grotere Duitsland in te bedden in een verenigd Europa. Het is daarom niet zonder betekenis dat wij in december niet alleen een Duitsland zullen hebben maar ook in de Europese Gemeenschap het begin van twee intergouvernementele conferenties: die over de economische monetaire unie en die met betrekking tot de politieke unie. Die inspanningen moeten zowel vervolg van als sluitstuk op het 'project 1992' betekenen.

Daarover zo dadelijk meer.

Eerst echter de vraag hoe gaat het met de realisatie van '1992'. Hoewel er veel voortgang wordt bereikt is de achterstand op fiscaal terrein, op transportterrein en op fyto-sanitair terrein markant. Men herkent in deze sectoren de harde kernen van het 'eiland-denken' en van traditioneel beschermde sectoren (waarin ondernemer en bureaucratie gemakkelijk twee handen op een buik zijn). Op transportgebied heeft Nederland dit voorjaar de Gemeenschap een nieuwe impuls gegeven met het Transport-memorandum. Eindelijk komt er een versnelling en dat was en is hard nodig. Zonder een 'Europa van het transport' is de ene markt, dan wel het Europa zonder grenzen, een lachertje (en datzelfde geldt voor een zorgvuldig milieubeleid, dat Europees eenvoudigweg geen gestalte kan krijgen zonder een doelmatig en geintegreerd Europees transportbeleid). Dat de sterkere communautaire transportinspanning hard nodig was, werd ook pijnlijk zichtbaar door het Duitse voornemen tot een Strassenbenutzungsgebuhr. Het zou mij niet verbazen dat de via het Nederlandse initiatief de versnelde communautaire transportinspanning juist op tijd is gekomen om de juridische positie van de Gemeenschap (en van Nederland) bij het Hof voldoende te versterken om de BRD 'af te stoppen'. Een actief Nederlands beleid is ook zichtbaar geworden tijdens het Schengen-voorzitterschap. Nadat het paard vorig najaar nog voor de hindernis moest stoppen, ging het er nu overtuigend overheen. Dit heeft betekenis voor het vrije personenverkeer, maar is ook van belang voor de noodzakelijke afstemming van het asielbeleid, de 'binnenlandse' personencontrole en de gezamenlijke bestrijding van de criminaliteit.

Veelzeggend is ook dat vrij onverwacht onder Iers voorzitterschap overeenstemming bereikt werd, op de stem van Denemarken na, over het zogeheten Europese asielverdrag. Met deze onderwerpen (Schengen en Europees asielverdrag) zijn wij overigens in ons Europa aan een nieuwe grens gekomen. Die nieuwe grens wordt gevormd door de veelvormigheid en door de accentverschillen in het rechtsstatelijk denken van de diverse landen. Juist waar de persoon in relatie tot de staat aan de orde is hebben wij het over rechtsstaat en precies daar ontmoeten wij de gemotiveerde en soms geemotioneerde debatten over het gehalte van onze rechtsstaat.

Het zal intussen zo schat ik toch nog ver in de jaren negentig worden voordat er sprake zal zijn van een Europese grondwet. De Europese politieke unie, waarvan nu sprake is, zal waarschijnlijk slechts een bescheiden stap voorwaarts zijn; bescheiden maar daarom niet minder belangrijk in de poging het zogenaamde 'democratisch deficit' wat te verkleinen en de democratische controle op het Europese bestuur en de Europese administratie te versterken.

Zo zullen naast gemeenschappelijke rechtsstatelijke ook staatsrechtelijke contouren van het verenigd Europa zichtbaar worden. Maar naarmate de integratie voortschrijdt zullen de landen en regio's terecht ook waken over eigen identiteit en eigen domein.

Het is geen toeval dat sinds de top van Madrid zo nadrukkelijk wordt gesproken over het subsidiariteitsbeginsel; slechts 'Brussel' daar waar nodig.

De subsidiariteitsdiscussie die zich voltrekt op elk niveau: hoe wordt betrokkenheid van het individu gewaarborgd en bureaucratie bestreden? zal de komende jaren aan betekenis winnen en concreter worden. In feite is ook hier het werk begonnen dat zal leiden tot een hoofdstuk in de Europese grondwet.

Dat hoofdstuk zal handelen over de verhouding tussen de verschillende overheden. Het zal hierbij gaan om een mengeling van principiele (de vrijheid en eigenheid van de burger en de culturele identiteit en zelfbeheer van groepen van burgers) en doelmatigheidsvragen (hoe worden doelen zo effectief mogelijk bereikt). Zijn wij bij dit alles nog bezig met 'verkenningen' over wat voor verenigd Europa wij eigenlijk willen (wel een open, krachtig Europa, maar geen eenheidspot en bureaucratische verstikking), op een concreet terrein zullen wij al snel voor de brug staan. Dat betreft de monetaire unie met een bank en een munt.

Als in december goed voorbereid de intergouvernementele conferentie terzake is begonnen, en overeenstemming bereikbaar zal blijken over het karakter van de monetaire unie, komt op elk van de lidstaten de vraag af: 'Gaan wij ook de brug over?'. Je eigen munt opgeven is natuurlijk van grote psychologische betekenis en het betekent minder eigen beleidsmarges. Het betekent ook het risico dat zwakkere landen of regio's de druk op zullen voeren nog meer zogenaamde 'cohesie-steun' te krijgen om de ene markt en dan dus ook de ene munt bij te kunnen benen.

Over elk van die aspecten een enkele opmerking.

Allereerst over de eigen beleidsmarge die zou worden ingeleverd. Dit aspect is voor een land als Nederland dat al jarenlang trouw lid is van het Europese monetaire stelsel van geringe betekenis. Een land als Engeland beoordeelt dat anders. Ten onrechte, zoals ik een en ander maal aan de Britse collega uiteenzette. Ik herinner mij hoe ik tijdens een van de talrijke gesprekken daarover mevrouw Thatcher, die mij zei dat zij inflatie beter kon bestrijden als Engeland niet 'opgesloten' was in het EMS, voorhield dat deze redenering op mij overkwam als die van een automobilist die zegt dat hij zoveel flexibeler kan reageren en dus veiliger kan rijden als hij niet ingeklemd zit in de veiligheidsriem.

Zeker het is waar dat men ten principale een beweeglijkheid verliest en wel de mogelijkheid zijn munt te deprecieren wanneer de concurrentiekracht (steeds meer) gaat ontbreken. Dit mechanisme is duidelijk maar het dient natuurlijk niet het beleid ter bestrijding van inflatie.

Het is overigens en dat brengt mij op mijn tweede opmerking wel precies dat mechanisme maar dan in zijn betekenis voor concurrentiekracht en werkgelegenheid dat de Gemeenschap straks voor de moeilijke afweging zal plaatsen: zijn de lidstaten wel toe aan de monetaire unie, respectievelijk wordt niet het risico gelopen dat solidariteit met de minder welvarende EG-landen, de cohesie, teveel extra middelen gaat vergen? Er moet rekening worden gehouden met politieke druk om door overdracht van middelen (via fondsen) in de noden van achterblijvende regio's onderscheidenlijk lidstaten te voorzien. Het zou mij niet verbazen dat in dit laatste de echte angel zal blijken te zitten. Daarbij zijn wij dan overigens langs een omweg weer terug bij de subsidiariteitsdiscussie. Anders gezegd: indien het verenigd Europa een munt, een centrale bank heeft, welke eisen 'terzake van het te hulp komen' mogen dan vanuit regio's, lidstaten aan 'Brussel' worden gesteld. Daarvoor zijn regels, discipline, traditie nodig.

Zo is er na de interne markt in engere zin na wat wij '1992' zijn gaan noemen nog heel veel aan de orde als het gaat om de architectuur van de Europese Gemeenschap. Het worden boeiende jaren negentig.

Het gaat ook om de architectuur van Europa als geheel. Enkele jaren geleden ging het eigenlijk alleen nog maar om de zogenaamde EVA-landen, vrije Europese landen buiten de Europese Gemeenschap. Inmiddels gaat het echter al lang niet meer alleen om die Europese landen. De aandacht gaat nu uit naar samenwerkingsmogelijkheden met Midden- en Oost-Europa.

Een paar kanttekeningen: De eerste is er een van geografisch-politieke aard. Wat verstaan wij eigenlijk onder Europa? Richt het zich zoals De Gaulle zei 'van de Oeral tot de Atlantische Oceaan' of bevat het de CVSE-landen, dus ook de Verenigde Staten en Canada, en daarmee de facto ook alle lidstaten van de Noord-Atlantische verdragsorganisatie? De geografie van Europa is intrigerend. Toen ik onlangs mijn voorstellen voor Europese samenwerking op energieterrein formuleerde, sloot ik daar als vanzelfsprekend Siberie bij in. De Russische republiek, nu onder leiding van Jeltsin, beschouw ik als een Europees land en niet als een Euro-Aziatisch land, dat het geografisch ongetwijfeld is. Een formele Europa-definitie schiet per definitie tekort. Geschiedenis en toekomst pleiten voor een flexibele Europa-definitie.

De tweede kanttekening betreft het dilemma dat wij enerzijds willen bevorderen dat in Midden- en Oost-Europa markt-economieen ontstaan, maar dat wij tegelijkertijd bezorgd zijn of het ginds wel blijvend goed zal gaan als er niet een politiek gestructureerde associatie met ons deel van Europa ontstaat. Het verlangen de democratie te consolideren heeft de laatste tien jaar een grote rol gespeeld bij de integratie van Griekenland, Spanje en Portugal. Het is begrijpelijk dat zich nu de vraag voordoet welke bijdrage voor Midden- en Oost-Europa vereist is.

Als deze bijdrage alsmaar meer leden van een Europese Gemeenschap niet voor de hand ligt en dat ligt niet voor de hand dan rijst de vraag, wat dan wel? Het is geen schande praktisch te zijn. Integendeel, vandaar de voorstellen om in het 'Europa van het transport' aandacht te geven aan infrastructuurnetten voor het geheel van Europa; vandaar de voorstellen op energie-terrein om Europese produktie en consumptie met inbegrip van de noodzakelijke investeringen tot een samenhangend geheel te maken; voorstellen ook die kernenergie (Europese veiligheid!) en milieu (Europa is te mooi om te bederven) tot een gedeelde en daarom ook operationeel tot een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid maken. Er is alle reden voor praktische voorstellen.

Een derde kanttekening betreft de positie van het vergrote Duitsland. Met alle sympathie voor de Duitse eenwording het echte einde van de Tweede Wereldoorlog, dat terecht samenvalt met het terugtrekken van Sovjet-troepen uit heel Midden-Europa (eveneens het echte einde van de Tweede Wereldoorlog) ben ik blij dat zowel de Oder-Neissegrens-discussie als die met betrekking tot het Strassenbenutzungsgebuhr goed afgelopen zijn. Het vergrote Duitsland moet immers de facto gebonden zijn aan rechtsregels, en dat ook blijven.

Ik ben niet bang dat het vergrote Duitsland wel even de dienst in de Europese Gemeenschap zal gaan uitmaken. Daar zijn wij zelf bij, al geef ik toe dat Europa beter zal slagen als Parijs voor Europa kiest in plaats van voor alleen een as Parijs-Bonn, hoe nuttig die ook was. Europa zal ook beter slagen als Engeland er voor kiest. Europa zal ook beter slagen als Parijs de pretentie opgeeft er de hoofdstad van te willen zijn, met overal een Franse regie. Juist om Duitsland slechts partner in een Europese Gemeenschap, in een Verenigd Europa, te laten zijn is het nodig van de krachten van alle lidstaten, van alle hoofdsteden gebruik te maken.

Dit alles neemt natuurlijk niet weg dat Duitsland wel degelijk een grotere rol zal spelen. Die grotere rol ligt echter niet zozeer in de Europese Gemeenschap zelf als in de functie van verbindingsschakel met tal van Midden- en Oost-Europese landen. In die zin verschuift het epicentrum van Europa inderdaad oostwaarts. Laten wij daar echter vooral de positieve kanten van zien, de mogelijkheden in plaats van de moeilijkheden.

Mijn vierde en laatste kanttekening over de architectuur van Europa betreft het feit dat het nog een lange weg zal zijn de functie van de trias politica, die zo kenmerkend is voor de lidstaten van de Europese Gemeenschap, daadwerkelijk ook staatkundig en maatschappelijk 'raster' te laten zijn voor Midden- en Oost-Europa. Het wordt nog een hele opgave een rechtstaat en een sociale markt-economie te scheppen, die weerwerk bieden aan corruptie, monopolies en te weinig solidaire inkomensverhoudingen. Toch is dat alles ook in Midden- en Oost-Europa principieel nodig en tegelijk is het voorwaarde voor echte stabiliteit.

Met betrekking tot de architectuur van Europa maakte ik vier kanttekeningen. Zij zijn hopelijk voldoende om aan te geven dat de 'Gnadenfrist' van tien jaar die ons nog rest tot het eind van dit millenium van ons, Europeanen, nog veel zal vragen en vergen. Niet in de laatste plaats omdat wij tegelijkertijd moeten waarborgen dat ons Europa open blijft, ja, meer open en solidair wordt in zijn verhouding tot andere continenten. Ook daarvoor zijn perspectieven aanwezig.

Het eerste perspectief is hierboven al behandeld en betreft de veiligheids- en militaire dimensie. Nu de 'wapenvermindering' tussen Oost en West op volle toeren draait en regeringen communisme (en kapitalisme) niet meer met alle middelen willen exporteren, is er ook een reeel perspectief dat regionale conflicten in de wereld niet meer worden uitgelokt, in stand gehouden of uitgebreid door 'brandstoftoevoer' van buitenaf: wapens, geld en inspanningen van veiligheidsdiensten. Ook dat kan weer betekenen een vermindering van de vluchtelingenstromen en meer ruimte voor echte ontwikkeling.

De tweede dimensie betreft de handel. Hier zal de Uruguay-ronde nieuwe perspectieven kunnen gaan bieden. Discipline van het Noorden op met name landbouwgebied is daarbij een van de voorwaarden. Afbraak van zinloos bureaucratisch protectionisme met name in de dienstensector in tal van ontwikkelingslanden is daarvoor evenzeer voorwaarde.

De derde dimensie betreft de mondiale milieu-inspanning. De verklaring van Den Haag is inmiddels vaak schoorvoetend gevolgd door andere politieke commitments. Kern moet blijven een internationaal rechtskarakter waarbinnen informatie, controle en middelenoverdracht doelmatig en rechtmatig gestalte kunnen krijgen.

De vierde dimensie betreft zoals het bij de jongste Afrika-conferentie in Maastricht luidde good governance en het tegengaan van excessieve corruptie met name daar waar het hand in hand gaat met kapitaalvlucht naar fiscale en met bankgeheim uitgeruste vrijhavens. Good governance laat principieel controle toe binnenlands, maar ook internationaal of het nu gaat om mensenrechten, of om solide financieel beheer (daarom vervullen Wereldbank en IMF in beginsel juist wel een goede rol). Bestrijden van kapitaalvlucht naar fiscale vrijhavens, door bankgeheim beschermd en vaak in relatie met corruptie, tekent zich af als nieuwe uitdaging. Het hele denken op dit terrein heeft een impuls gekregen vanuit de bestrijding van drugshandel en daarmee verkregen fortuinen. Het heeft een bredere betekenis in relatie met criminaliteit en vooral ook met ontwikkeling in de zogenaamde Derde Wereld, waar gebrek aan stabiliteit en rechtszekerheid enerzijds en corruptie en kapitaalexport naar een veilige plaats anderzijds een voortdurend kip en ei-probleem vormen (zoals vroeger onzekerheid over de oude dag en ongelimiteerde kinderaantallen een vicieuze cirkel vormden). Minder wapens, meer handel, meer gebundelde milieu-inspanning en bestrijding van eroderende corruptie en kapitaalvlucht vormen de uitdagende agenda voor de samenwerking tussen continenten. Nederland doet er goed aan open oog te hebben voor al deze ontwikkelingen. Bescheiden maar zonder het licht onder de korenmaat te zetten. Geduldig, maar in de wetenschap dat krachten ten goede steeds weer nodig zijn om regressie te voorkomen. Uitgerust ook met de ervaring van het laatste decennium dat krachten ten goede wel degelijk succes kunnen boeken.

Op dit moment is er toch eigenlijk geen plaats voor pessimisme; en hun die zich zorgen maken over nieuwe onzekerheden zou ik willen zeggen: laten wij ons meer bezig houden met het gebruiken van nieuwe mogelijkheden de akkers liggen open dan ons te bekommeren om risico's, hoezeer die er ongetwijfeld ook zijn.

Geschiedenis en toekomst pleiten voor een flexibele Europa-definitie. Je eigen munt opgeven is van grote psychologische betekenis. Op dit moment is er toch eigenlijk geen plaats voor pessimisme